Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
201101063/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BO8198, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 19 appartementen met bergingen op het perceel [locatie 1] te Barneveld (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101063/1/H1.

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 december 2010 in zaken nrs. 09/278, 09/279 en 09/280 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 19 appartementen met bergingen op het perceel [locatie 1] te Barneveld (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college de door [3 appellanten] ingediende bezwaren gegrond verklaard met betrekking tot het aspect flora en fauna, alle overige door [appellant] en anderen ingediende bezwaren ongegrond verklaard, en het besluit van 3 september 2007 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij tussenuitspraak van 29 juli 2010 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de aan het besluit van 5 december 2008 klevende gebreken te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Het college heeft bij brief van 6 oktober 2010 dat besluit van een nadere onderbouwing voorzien.

Bij uitspraak van 14 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 5 december 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar [appellant] en anderen, van wie [gemachtigden] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hoekstra, zijn verschenen. Tevens is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door J.M. Niese, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft blijkens een bijlage bij het hogerberoepschrift van 21 januari 2011 mede namens 38 anderen tijdig hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft echter blijkens een bijlage bij het aanvullend hogerberoepschrift van 12 februari 2011 mede namens 42 anderen hoger beroep ingesteld. Van deze 42 anderen hebben [4 appellanten] buiten de beroepstermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep voor zover ingesteld door deze personen, is daarom niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is afdeling 6.2 van de Awb, met uitzondering van artikel 6:12, van overeenkomstige toepassing, indien hoger beroep of beroep in cassatie kan worden ingesteld.

[12 appellanten] hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 september 2007 of beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2008. Het hoger beroep voor zover door hen ingesteld, dient dan ook gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3. Het bouwplan voorziet in de bouw van een complex van 19 appartementen met bergingen en een parkeervoorziening op eigen terrein (hierna: het bouwplan) op het perceel. Het appartementengebouw heeft twee bouwlagen met een kap, met een accent van drie bouwlagen met een kap.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.157, vijfde lid, onder b, van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Zij stellen dat dit artikellid bepaalt dat per portiek slechts zes appartementen aanwezig mogen zijn, welk aantal in het midden van het complex volgens hen wordt overschreden.

2.4.1. De uitleg die [appellant] en anderen aan artikel 2.157, vijfde lid, onder b, van het Bouwbesluit geven, berust op onjuiste lezing daarvan. Artikel 2.157 van het Bouwbesluit regelt waaraan de vluchtroutes in het appartementencomplex moeten voldoen. In het vijfde lid, onder b, wordt vermeld dat in afwijking van het derde lid, een samenvallend gedeelte van een vluchtroute in een trappenhuis mag liggen en aan een ander subbrandcompartiment mag grenzen, als niet op dat trappenhuis meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen. Uit dit artikellid volgt derhalve niet dat maar zes appartementen op één portiek mogen uitkomen. Nu bovendien reeds is voldaan aan artikel 2.157, vijfde lid, onder a, van het Bouwbesluit, hetgeen niet is bestreden en is bevestigd door de brandweer van Barneveld in een e-mailbericht van 25 maart 2008, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat er geen onderbouwing is van het advies van de welstandscommissie. Volgens hen past het gebouw qua vorm en afmetingen in het geheel niet bij de omringende laagbouw. Voorts heeft de welstandscommissie geen rekening gehouden met het feit dat de bergingen los van het appartementencomplex worden gebouwd, aldus [appellant] en anderen.

2.5.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de welstandscommissie het bouwplan, waaronder ook de losse bergingen, op 28 februari 2007 heeft goedgekeurd. Bij het advies van 7 juni 2007 heeft de welstandscommissie haar standpunt naar aanleiding van de door [appellant] en anderen ingediende zienswijzen nader gemotiveerd. Dat het bouwplan qua vorm en afmetingen in strijd zou zijn met de welstandscriteria die ingevolge de gemeentelijke welstandsnota gelden voor de wijk "De Vaarst", waarin het bouwplan is gelegen, is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen grond is gelegen voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming ondeugdelijk of anderszins onjuist is, zodat het college dit advies in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog faalt.

2.6. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Barneveld-Noord Uitwerking Fase II" rusten op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemmingen "Woningen", "Erf bij woningen" en "Tuin".

2.7. Het betoog van [appellant] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dit is de aanleiding geweest voor het college om bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 september 2007 met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, bij het verlenen van vrijstelling, zoals onder meer volgt uit het zienswijzenverslag, is ingegaan op de ligging van het bouwplan, waaronder de bergingen.

2.8. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat aan het besluit tot verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning voor het bouwplan een ondeugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Zij voeren daartoe kort weergegeven aan dat het bouwplan niet inpasbaar is in de omgeving, er geen appartementen worden aangeboden in de door het college in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven goedkopere prijsklasse, er een uitgebreider onderzoek naar de flora en fauna ter plaatse had moeten worden uitgevoerd, alsmede een archeologisch onderzoek, en tot slot dat het akoestisch onderzoek van 1 mei 2006 naar de geluidhinder op de appartementen achterhaald is.

2.8.1. De ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is neergelegd in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing [locatie 1] in Barneveld" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). Daarnaast is het college in het zienswijzenverslag nog nader op een aantal punten betreffende de ruimtelijke onderbouwing ingegaan.

2.8.2. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het perceel zich stedenbouwkundig gezien leent voor een invulling met een gebouw van twee lagen met een kap, met een accent van drie lagen met een kap, dat zich richt op de Van Wijnbergenlaan. Hiermee wordt de wand van de Van Wijnbergenlaan door realisatie van het bouwplan afgemaakt. Daarbij blijft de hoogte binnen de voor het perceel geformuleerde stedenbouwkundige randvoorwaarden. Bovendien sluit het appartementencomplex, vanwege de lagere zijkanten, met een bouwhoogte van twee lagen en een kap, aan bij de eengezinswoningen in de wijk "De Vaarst". Ook het in de wijk aanwezige groen blijft zoveel mogelijk gehandhaafd. Verder wordt in het zienswijzenverslag, in overeenstemming met het stedenbouwkundig advies van 22 mei 2007, vermeld dat het niet ongebruikelijk is om de entree en/of de hoofdontsluiting van een woonwijk te markeren met één of meer bijzondere gebouwen (bijvoorbeeld appartementen of kantoren) die qua massa en verschijningsvorm afwijken van de woningen in de wijk.

De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet in de omgeving van het perceel zou passen.

2.8.3. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ten aanzien van de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen prijsstelling van de appartementen voor starters, zijn geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat de prijs van deze appartementen, vanwege het ontbreken van de kosten van een parkeerplaats daarin, dusdanig stijgt dat hierin reden is gelegen om geen medewerking aan het bouwplan te verlenen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.8.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200800359/1), komt de vraag of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van die wet. Dat doet er niet aan af dat het college geen vrijstelling voor het bouwplan had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de in april, juli en oktober 2008 door het ingenieurs- en adviesbureau Tauw uitgebrachte Quickscan en notities, voldoende (veld)onderzoek is uitgevoerd naar de flora en fauna op het perceel. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat geen ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet voor de op het perceel aanwezige soorten zoogdieren en amfibieën, zoals omschreven in tabel 1 van de Quickscan van april 2008. Verder is daarin vastgesteld dat geen winterverblijven van vleermuizen aanwezig zijn en dat een bomenrij in het westen van het plangebied van groot belang is voor vleermuizen. Deze bomenrij blijft echter gehandhaafd bij de realisering van het bouwplan. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, zijn voorts geen aanwijzingen gelegen voor het oordeel dat de grond waarop het bouwplan is voorzien, bijzondere aandacht behoeft.

Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

2.8.5. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college in redelijkheid nader archeologisch onderzoek achterwege heeft kunnen laten, nu het perceel ingevolge de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden uit 1998 de waarde "laag" heeft. In dat geval behoeft op grond van provinciale richtlijnen ten aanzien van archeologie geen nader onderzoek plaats te vinden. De stelling dat dit onderzoek wel zou moeten plaatsvinden, hebben [appellant] en anderen niet nader onderbouwd.

2.8.6. Met betrekking tot het akoestisch onderzoek van het bureau "Schoonderbeek en partners Advies B.V." van 1 mei 2006 heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit dit onderzoek volgt dat ten aanzien van zes van de 19 appartementen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden, zodat het college voor die zes appartementen het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland niet heeft hoeven verzoeken een hogere grenswaarde vast te stellen. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat dit onderzoek inmiddels te gedateerd zou zijn om aan de besluitvorming ten grondslag te kunnen worden gelegd. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat vanwege het in de nabijheid van het perceel gelegen spoor alsmede de recent aangelegde T-splitsing het verkeer zodanig is toegenomen dat bij meerdere appartementen hogere waarden gelden dan wel de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.

2.8.7. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen grond is gelegen voor het oordeel dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 september 2007 niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat aan het besluit tot verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning voor het bouwplan geen redelijke belangenafweging ten grondslag ligt.

Zij voeren daartoe aan dat het appartementencomplex volgens hen te dicht op de omliggende bebouwing wordt geplaatst, waardoor met name de bewoners van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] en [locatie 4] er in hun privacy en lichtinval in de woningen erg op achteruit gaan. Daarnaast geven volgens [appellant] en anderen de door het college in beroep aangeleverde schaduwberekeningen de werkelijke situatie niet weer en zal de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van realisering van het bouwplan gevaarlijke verkeerssituaties opleveren. Zij stellen verder dat de brandveiligheid van het bouwplan onvoldoende is onderbouwd en zij vrezen overlast te zullen ondervinden van hangjongeren op de achter de appartementen gelegen parkeerplaatsen. Bovendien stellen zij dat in onvoldoende parkeergelegenheid bij het appartementencomplex is voorzien, hetgeen extra parkeerdruk op de wijk zal veroorzaken. Zij stellen voorts geluidsoverlast te vrezen als gevolg van realisering van het bouwplan door een toename van verkeer. Tenslotte stellen Van [appellant] en anderen dat hun woningen in waarde zullen dalen als gevolg van realisering van het bouwplan.

2.9.1. Het college heeft bij brief met bijlagen van 6 oktober 2010 aan de rechtbank zogeheten schaduwkaarten overgelegd, die de schaduw weergeven ten gevolge van het bouwplan op naastgelegen percelen op 21 maart, juni en september, alsmede een bijbehorend advies van 5 oktober 2010. Hieruit volgt dat de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3] gedurende een deel van het jaar enkele uren per dag, overigens niet in de zomer, op een deel van het perceel schaduwwerking van het nieuwe gebouw zullen ondervinden. Ook zullen volgens het onderzoek de nieuw te realiseren bergingen enige schaduwwerking veroorzaken op de achtertuinen van de percelen [locatie 5] tot en met [locatie 2].

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het onderzoek naar de schaduwwerking van het bouwplan zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Weliswaar werpen het appartementencomplex en de bergingen enige schaduw op de achtertuinen van voormelde percelen, dit betekent evenwel niet dat deze hinder zodanig is dat om die reden vrijstelling niet kon worden verleend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in een stedelijke omgeving ermee rekening moet worden gehouden dat enige schaduwwerking zal bestaan door de aanwezigheid van nabij gelegen bebouwing. De door [een der appellanten] bij de rechtbank in geding gebrachte schaduwtekeningen brengen hier geen verandering in, nu deze tekeningen, zoals de rechtbank heeft overwogen, geen grote afwijkingen van de door het college ingebrachte schaduwkaarten tonen. Dat in de winterperiode in de ochtend meer schaduw valt te verwachten dan zonder het bouwplan het geval is, zoals volgt uit de schaduwtekeningen van [een der appellanten], leidt evenmin tot het oordeel dat het bouwplan reeds hierom leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder.

2.9.2. Ten aanzien van de brandveiligheid van het bouwplan is van belang dat de brandweer van Barneveld het bouwplan akkoord heeft bevonden, hetgeen onder meer blijkt uit een e-mailbericht van 25 maart 2008. Daarin wordt, mede bezien in het licht van het Bouwbesluit, nader gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de eisen voor brandveiligheid. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het college aan het standpunt van de gemeentelijke brandweer voorbij had moeten gaan. Dat de brandveiligheid onvoldoende is verzekerd, is derhalve niet aannemelijk geworden.

2.9.3. Met betrekking tot het voorziene aantal parkeerplaatsen bij het appartementencomplex wordt overwogen dat het college voor het benodigde aantal parkeerplaatsen een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning in acht heeft genomen. In de parkeernorm zijn de parkeerplaatsen voor bezoekers inbegrepen. Nu het bouwplan van 19 appartementen voorziet in 33 parkeerplaatsen op eigen terrein, zoals de gemeentelijke Bouwverordening voorschrijft, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het college de parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld.

2.9.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant] en anderen inzake de geluidsoverlast door het verkeer en onveilige verkeerssituaties ten gevolge van het bouwplan, heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in het standpunt dat realisering van het complex met 19 appartementen een relatief gering aantal extra verkeersbewegingen met zich brengt en dat dit, mede gezien de lage snelheden die op het eigen terrein kunnen worden bereikt, niet zal resulteren in onevenredige geluidsoverlast voor omwonenden. Het bouwplan zal evenmin leiden tot een verkeersonveilige situatie, nu volgens het college het zicht vanuit de uitrit op de Van Wijnbergenlaan ruim voldoende is voor een verkeersveilige ontsluiting daarop. Mede gezien de ter zitting door partijen aan de hand van een kaart gegeven toelichting van de situatie ter plaatse, heeft de rechtbank terecht in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat dit door het college ingenomen standpunt niet kan worden gevolgd.

2.9.5. De rechtbank heeft ten aanzien van de vrees van [appellant] en anderen voor aantasting van hun privacy en woongenot het college terecht gevolgd in het standpunt dat mogelijk sprake is van enig nadeel als gevolg van realisering van het bouwplan, maar dat geen sprake is van onevenredig nadeel dat ertoe leidt dat de vrijstelling niet in redelijkheid kon worden verleend. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aanpassingen van het bouwplan hebben plaatsgehad naar aanleiding van de door omwonenden ingediende zienswijzen, waarbij met hun belangen rekening is gehouden. Blijkens het zienswijzenverslag zijn in verband hiermee zijvensters zoveel mogelijk naar de voorgevel geplaatst om de privacy van omwonenden zoveel mogelijk te waarborgen, zijn de hoofdwoonvertrekken van de appartementen voornamelijk aan de straatzijde voorzien, en worden de vensters aan de rechterzijgevel, die zicht geven op de achtertuin van [locatie 3], voorzien van gematteerde beglazing.

2.9.6. Ook de vrees voor overlast door hangjongeren op het terrein kan er niet toe leiden dat de vrijstelling niet in redelijkheid kon worden verleend. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de mogelijke aanwezigheid van hangjongeren geen gevolg is van het bouwplan en zich ook in de bestaande situatie zou kunnen voordoen. Daarnaast kan daartegen, indien die situatie zich voor zou doen, worden opgetreden.

2.9.7. De stelling van [appellant] en anderen dat realisering van het bouwplan de omliggende woningen in waarde zal doen dalen, kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, reeds omdat deze stelling niet nader is onderbouwd. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] en anderen ter zake bij het college een verzoek om tegemoetkoming in de planschade kunnen doen.

2.9.8. De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de door [appellant] en anderen naar voren gebrachte gronden niet tot het oordeel leiden dat het college, na afweging van de betrokken belangen, de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant] en anderen betogen tenslotte tevergeefs dat alternatieve locaties voor het bouwplan onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Het college dient te beslissen over het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan, zoals het is aangevraagd. Indien het een project op zichzelf aanvaardbaar acht, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

2.11. Het hoger beroep voor zover ingesteld door [16 appellanten], is niet-ontvankelijk.

Het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant] en anderen is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [16 appellanten];

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011

374-641.