Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201103276/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103276/1/V6.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], gevestigd te Rotterdam, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te Rotterdam, [vennoot B], wonend te Utrecht en [vennoot C], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 27 januari 2011 in zaak nr. 10/2866 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit, verzonden op 3 juni 2010, heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 januari 2011, verzonden op 3 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2011. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. M. Özdemir, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Jacobson, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, onderdeel 1˚ van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is dat verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de minister van Justitie, waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een zodanige aantekening afgegeven aan een vreemdeling die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef, onder c, wordt zodanige aantekening afgegeven aan een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 2, aanhef, onder d, van het Besluit uitvoering Wav, wordt een aantekening, als bedoeld in voormeld artikel 4, eerste lid, van de Wav, afgegeven aan een vreemdeling, die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet of Vw 2000 afgegeven vergunning met daarop een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wav en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wav, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, aangemerkt als een overtreding.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Ingevolge het tweede lid gelden de terzake van deze wet gestelde overtredingen ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is de hoogte van de bestuurlijke boete, die voor een overtreding kan worden opgelegd, indien begaan door:

a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00

b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het op 8 januari 2010 op ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport (hierna: het boeterapport) houdt in dat [vreemdeling] van Turkse nationaliteit (hierna: de vreemdeling) op 30 juli 2009 voor [appellante] arbeid verrichtte, bestaande uit het helpen van klanten van achter de toonbank, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Het boeterapport houdt verder in dat gedurende administratief onderzoek bij [Administratiekantoor], waar de administratie van [appellante] wordt gevoerd, R.H. ten Berge, inspecteur van de Arbeidsinspectie (hierna: Ten Berge), een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en de vreemdeling heeft ontvangen, alsmede een kopie van het verblijfsdocument van de vreemdeling waarmee hij zich ten tijde van zijn indiensttreding bij [appellante] heeft gelegitimeerd. Het boeterapport vermeldt voorts dat het Ten Berge uit navraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat de verblijfsvergunning van de vreemdeling op 12 augustus 2008 met terugwerkende kracht was ingetrokken.

2.3. Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over de toegang van de vreemdeling tot de arbeidsmarkt faalt reeds omdat met de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2010 in zaak nr. 201001657/1/V2 (www.raadvanstate.nl) in rechte onaantastbaar is geworden dat de staatssecretaris van Justitie terecht de aan de vreemdeling verleende verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 20 juni 2005 heeft ingetrokken en dat de vreemdeling geen rechten aan Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie en het bijbehorend Aanvullend Protocol ontleent. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de vreemdeling ten tijde van de controle op 30 juli 2009 niet gerechtigd was om hier te lande arbeid te verrichten.

2.4. [appellante] heeft verder betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs in haar vermogen lag om de overtreding te voorkomen, zodat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid of een verminderde mate daarvan. De rechtbank heeft voorts de door [appellante] overgelegde jaarcijfers niet goed geïnterpreteerd, zodat zij ten onrechte heeft overwogen dat uit die cijfers niet kan worden afgeleid dat [appellante] in 2010 onevenredig door de boete is getroffen, aldus [appellante].

2.4.1. Het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav is een bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200908558/1/V6; www.raadvanstate.nl). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

2.4.2. In situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.4.3. De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, [appellante] ter zitting heeft verklaard ervan op de hoogte te zijn geweest dat de vreemdeling niet alleen een tijdelijke verblijfsvergunning had tot 29 augustus 2008, maar ook dat deze op 12 augustus 2008 met terugwerkende kracht is ingetrokken en dat zij de op 8 mei 2009 aan de vreemdeling gegeven verblijfsaantekening-sticker in zijn paspoort niet heeft gecontroleerd, terwijl dit eenvoudig had gekund.

Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, biedt geen weerlegging van deze overweging. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het geval van [appellante] geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid of een verminderde mate daarvan, bestaat reeds daarom geen grond.

2.4.4. Hetgeen [appellante] over haar financiële situatie heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen zoals zij heeft gedaan. Nog daargelaten dat de keuze van [appellante] om een derde vennoot bij de vennootschap te betrekken een bedrijfsmatige is, waarvan de gevolgen voor haar rekening komen, kan uit de door [appellante] overgelegde financiële gegevens niet worden afgeleid dat zij onevenredig door de boete wordt getroffen. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

501.