Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201011017/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2009 heeft de korpschef aan [wederpartij] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor de particuliere beveiligingsorganisatie Deelman Safety Management

(hierna: DSM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011017/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpschef van de politieregio Haaglanden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 oktober 2010 in zaak nr. 10/2407 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Zoetermeer,

en

de korpschef.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2009 heeft de korpschef aan [wederpartij] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor de particuliere beveiligingsorganisatie Deelman Safety Management

(hierna: DSM).

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de korpschef het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 februari 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 december 2010.

Bij besluit van 1 april 2011 heeft de korpschef, opnieuw beslissend op het tegen het besluit van 29 december 2009 door [wederpartij] gemaakte bezwaar, dat bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit van

29 december 2009 in stand gelaten.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Denneman, werkzaam bij de politieregio Haaglanden, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend, geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan leidinggevend werk, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, wordt de toestemming onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Volgens paragraaf 2.1, aanhef en onder b, van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire) wordt de toestemming aan personen bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr onthouden indien de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd.

Volgens paragraaf 2.1.1, eerste volzin, kan de korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.2. De korpschef heeft aan zijn besluit van 25 februari 2010 ten grondslag gelegd dat [wederpartij] op 14 november 2006 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens het telen van hennep, nu dit een veroordeling is als omschreven in paragraaf 2.1, aanhef en onder b, van de circulaire. Voorts heeft de korpschef in aanmerking genomen een nog niet onherroepelijk transactievoorstel waarbij [wederpartij] de mogelijkheid is geboden om het wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 134.712,45 uit de hennepteelt terug te betalen. De korpschef acht [wederpartij] niet onevenredig benadeeld en heeft daarom geen grond gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule als bedoeld in paragraaf 2.1.1 van de circulaire.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en niet op een deugdelijke motivering berust. Zij heeft overwogen dat gelet op hetgeen door [wederpartij] en Deelman is aangevoerd, de korpschef bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de hardheidsclausule in redelijkheid niet heeft kunnen volstaan met de overweging dat het feit dat Deelman [wederpartij] graag binnen de beveiligingsbranche aan werk wil helpen en het feit dat [wederpartij] zelf het liefst werkzaam zou zijn in de beveiliging, onvoldoende reden vormen om ten gunste van [wederpartij] toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef bij zijn belangenafweging onder meer de ernst van het delict, de duur van de periode die is verstreken sinds de veroordeling, het feit dat [wederpartij] sinds de veroordeling niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, de kans op recidive, de eerdere ervaring van Deelman met [wederpartij] als beveiliger en de mogelijkheid die DSM biedt om [wederpartij] onder voorwaarden in dienst te nemen, had moeten afwegen tegen het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidszorg dan wel van een goede naam van de beveiligingsbranche.

2.4. De korpschef betoogt dat in de aangevallen uitspraak niet wordt vermeld dat [wederpartij] onherroepelijk is veroordeeld wegens het telen van hennep en dat het transactievoorstel een ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 134.712,45 betreft. Voorts is de rechtbank volgens de korpschef geheel voorbijgegaan aan de aard van de beveiligingswerkzaamheden die [wederpartij] in opdracht van DSM zal gaan verrichten, namelijk werkzaamheden bij een coffeeshop annex café. Nu [wederpartij] is veroordeeld wegens handelen in strijd met de Opiumwet acht de korpschef juist bij deze werkplek een onaanvaardbaar risico voor herhaling of andere drugsgerelateerde delicten aanwezig. Ter zitting van de Afdeling heeft de korpschef het belang van de specifieke aard van de aangeboden functie voor zijn besluitvorming benadrukt. De gevolgen van de veroordeling dienen voor rekening en risico van [wederpartij] te blijven. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit op bezwaar blijk geeft van een deugdelijke motivering van het standpunt dat [wederpartij] door het onthouden van toestemming niet onevenredig wordt benadeeld, aldus de korpschef.

2.4.1. Vaststaat dat [wederpartij] binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd. [wederpartij] voldoet daarmee niet aan de eisen van betrouwbaarheid zoals opgenomen in de circulaire. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr is de korpschef, indien de betrokkene niet beschikt over de voor het te verrichten werk nodige betrouwbaarheid, verplicht de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie te weigeren. Enige ruimte voor een belangenafweging is daarbij niet aanwezig.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 8 maart 2006 in zaak nr. 200507695/1) mag, gegeven het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, toepassing van de hardheidsclausule er niet toe leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Bij de beslissing over toepassing van de hardheidsclausule dient derhalve uitsluitend te worden beoordeeld of degene op wie het verzoek betrekking heeft, hoewel hij niet aan de in de circulaire opgenomen eisen voldoet, toch over de nodige betrouwbaarheid beschikt.

Het is aan degene die een beroep doet op de hardheidsclausule, omstandigheden aan te voeren op grond waarvan voldoende aannemelijk kan worden geacht dat hij beschikt over de nodige betrouwbaarheid voor de te verrichten werkzaamheden. In zijn bezwaarschrift heeft [wederpartij] gesteld dat de kans op recidive gering is, doch hij heeft niet uiteengezet waarom dit zo zou zijn. Voorts heeft hij persoonlijke omstandigheden aangevoerd, doch deze omstandigheden kunnen niet bijdragen aan het oordeel dat [wederpartij], niettegenstaande de veroordeling, voldoende betrouwbaar kan worden geacht voor de te verrichten werkzaamheden. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de korpschef op goede gronden heeft geconcludeerd dat [wederpartij] geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij, hoewel hij niet voldoet aan de in de circulaire neergelegde maatstaven, toch over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is voor het te verrichten werk. Hij heeft het beroep op de hardheidsclausule derhalve terecht afgewezen. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 februari 2010 van de korpschef ongegrond verklaren.

2.6. Bij besluit van 1 april 2011 heeft de korpschef, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan dit besluit de grondslag ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit eveneens vernietigen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 oktober 2010 in zaak nr. 10/2407;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpschef van de politieregio Haaglanden van 1 april 2011, met kenmerk 10-00778, gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

176-697.