Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201012810/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat afwijzend beslist op het door Deliver ingediende verzoek om ontheffing om met het binnenschip "Deliver" gelijktijdig zes woonarken te vervoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012810/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deliver B.V., gevestigd te Tollebeek, gemeente Noordoostpolder,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 november 2010 in zaak nr. 10/433 in het geding tussen:

Deliver

en

de minister (lees: de staatssecretaris) van Infrastructuur en Milieu, voorheen: de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat afwijzend beslist op het door Deliver ingediende verzoek om ontheffing om met het binnenschip "Deliver" gelijktijdig zes woonarken te vervoeren.

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de staatssecretaris het door Deliver daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Deliver daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Deliver bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2011.

Bij brief van 30 maart 2011 heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2011, waar Deliver, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. P.E. van Dam, advocaat te Rotterdam, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de categorieën van binnenschepen aangewezen waarvoor een certificaat van onderzoek vereist is.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, voor zover thans van belang, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de technische staat van een binnenschip.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, is het verboden een binnenschip te gebruiken in strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, eerste volzin, kan de minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot bepaalde categorieën van binnenschepen van een of meer van de krachtens artikel 8 gestelde regels vrijstelling verlenen, indien naar zijn oordeel de veiligheid van de binnenschepen en de opvarenden voldoende gewaarborgd is.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, kan de minister in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van een of meer van de krachtens artikel 8 gestelde regels.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van het Binnenvaartbesluit is voor binnenschepen met een lengte van ten minste 20 meter een certificaat van onderzoek vereist.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Binnenvaartregeling, gelezen in verbinding met bijlage II van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (PB 2006 L 389), voor zover thans van belang, mag het kleinste vrijboord van binnenschepen als bedoeld in artikel 6 van het Binnenvaartbesluit niet minder dan 0 mm bedragen.

2.2. Volgens het op 17 november 2008 voor de "Deliver" afgegeven communautaire certificaat bedraagt de lengte van dit binnenschip 38 meter. Gezien deze lengte, is ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van het Binnenvaartbesluit voor de "Deliver" een certificaat van onderzoek vereist. Aangezien voor de "Deliver" een dergelijk certificaat vereist is, geldt ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Binnenvaartregeling, gelezen in verbinding met bijlage II van Richtlijn 2006/87/EG, dat het kleinste vrijboord van dit binnenschip niet minder dan 0 mm mag bedragen. Dit houdt in dat het dek van het binnenschip niet onder water mag komen. Bij het tegelijk vervoeren van de onderhavige woonarken zal, naar niet in geschil is, vanwege het totaalgewicht van deze arken het dek van de "Deliver" deels onder water komen. Gelet hierop, heeft Deliver verzocht om een ontheffing in de zin van artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet.

2.3. De rechtbank heeft het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om ontheffing ongegrond verklaard, omdat de staatssecretaris naar haar oordeel terecht heeft geconcludeerd dat zich hier geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet voordoet. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het voorgenomen gebruik van de "Deliver" geen incidentele maar een structurele afwijking van de krachtens artikel 8 van de Binnenvaartwet gestelde technische voorschriften betreft. Zij heeft ten slotte overwogen dat zij niet toekomt aan de toets of de staatssecretaris in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

2.4. Deliver betoogt allereerst dat de overweging van de rechtbank, dat zij niet toekomt aan de toets of de staatssecretaris in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, onbegrijpelijk is. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet de staatssecretaris niet ertoe verplicht om in een bijzonder geval ontheffing te verlenen, maar hem een mogelijkheid daartoe geeft. In zoverre beschikt de staatssecretaris over een discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid bestaat echter niet indien zich geen bijzonder geval voordoet. Alsdan dient een verzoek om ontheffing reeds om die reden te worden afgewezen. Nu de rechtbank eerst heeft geoordeeld dat zich hier geen bijzonder geval voordoet, begrijpt de Afdeling de aangehaalde overweging van de rechtbank aldus dat naar haar oordeel de staatssecretaris vanwege het niet-bijzondere karakter van het voorliggende geval geen gebruik kon maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot verlening van een ontheffing en dat een toetsing van een invulling van die bevoegdheid derhalve niet aan de orde is. Hetgeen Deliver in dit verband heeft aangevoerd, geeft in dat licht geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5. Deliver betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich hier geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet voordoet. Zij voert daartoe aan dat de "Deliver" een bijzonder schip is, dat ontworpen is voor speciale transporten, met name van woonarken, waarbij het mogelijk is dat de laadvloer onder water ligt. Doordat de laadvloer op grond van de geldende regelgeving als dek moet worden beschouwd, worden echter de krachtens artikel 8 van de Binnenvaartwet gestelde technische voorschriften geschonden indien deze onder water komt te liggen. In artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet is niet bepaald dat een bijzonder geval geen structurele afwijking van de geldende technische voorschriften mag betreffen. Nog afgezien daarvan, heeft het ontheffingsverzoek wel degelijk betrekking op een incidenteel gebruik, namelijk het vervoeren van de onderhavige woonarken. De voorgenomen wijze van transport brengt de veiligheid niet in het geding, aldus Deliver.

2.5.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat een bijzonder geval als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet slechts aan de orde kan zijn bij een normafwijkend gebruik van een binnenschip dat inherent vreemd is aan het normale gebruik van dat schip en derhalve een incidenteel karakter heeft. Indien het voorgenomen normafwijkende gebruik van een binnenschip eigen is aan dat schip, kan dat volgens de staatssecretaris daarom geen bijzonder geval opleveren. De Afdeling acht dit standpunt juist. Daartoe wordt overwogen dat indien een geval van normafwijkend gebruik dat in verband met de kenmerken van het binnenschip vaker zal voorkomen, als bijzonder geval in de zin van artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet kan gelden, het desbetreffende schip en schepen met dezelfde kenmerken in alle gevallen van dergelijk normafwijkend gebruik steeds een ontheffing zouden kunnen krijgen. Dit zou neerkomen op het van de geldende technische voorschriften uitzonderen van een categorie van binnenschepen. De in artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet neergelegde ontheffingsmogelijkheid kan niet worden geacht daarvoor te zijn bedoeld, nu in het eerste lid van dat artikel specifiek de mogelijkheid is neergelegd om categorieën van binnenschepen vrij te stellen van de geldende technische voorschriften. Het standpunt dat het bij een bijzonder geval in de zin van artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet moet gaan om een incidenteel gebruik van een binnenschip vindt tevens steun in de memorie van toelichting bij dat artikel. Daarin wordt als voorbeeld van een bijzonder geval genoemd de situatie waarin een binnenschip voor buitenlandse rekening is gebouwd of aan een in een het buitenland gevestigde afnemer is verkocht en in dat kader eenmalig over de Nederlandse binnenwateren naar de plaats van bestemming wordt gebracht (Kamerstukken II 2005/06, 30 523, nr. 3, blz. 34).

Gelet op de kenmerken van de "Deliver", zal de afwijking van de geldende technische voorschriften waarvoor Deliver ontheffing heeft gevraagd, zich steeds voordoen bij het vervoeren van woonarken of andere lading met een totaalgewicht dat gelijk is aan of groter is dan het totaalgewicht van de onderhavige woonarken. Het voorgenomen normafwijkende gebruik van de "Deliver" heeft derhalve geen incidenteel karakter. Omdat een bijzonder geval in de zin van artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet, gezien het voorgaande, slechts aan de orde kan zijn bij een incidenteel normafwijkend gebruik van een binnenschip, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat zich hier geen bijzonder geval als bedoeld in die bepaling voordoet. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

582.