Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201012372/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college [appellant] gelast de ingebruikname van de huurstandplaats [locatie 1] te 's-Hertogenbosch binnen één maand na dagtekening van dat besluit te staken en gestaakt te houden op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per maand of gedeelte van een maand dat niet aan deze last wordt voldaan, tot een maximum van € 25.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012372/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Hertogenbosch,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 november 2010 in zaak nrs. 10/3190 en 10/2483 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college [appellant] gelast de ingebruikname van de huurstandplaats [locatie 1] te 's-Hertogenbosch binnen één maand na dagtekening van dat besluit te staken en gestaakt te houden op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per maand of gedeelte van een maand dat niet aan deze last wordt voldaan, tot een maximum van € 25.000,00.

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 december 2010 heeft het college de door [appellant] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 10.000,00 van hem ingevorderd.

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft het college de door [appellant] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 15.000,00 van hem ingevorderd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.H. van Goch, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 2.2.1 van de Huisvestingsverordening 2005 van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: Huisvestingsverordening) is het bepaalde in deze paragraaf uitsluitend van toepassing op huurstandplaatsen met woonwagens in de gemeente ’s-Hertogenbosch.

Ingevolge artikel 2.2.2 is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonwagen standplaats, aangewezen in artikel 2.2.1 in gebruik te nemen.

Ingevolge artikel 2.2.3, eerste lid, stelt het college van burgemeester en wethouders een wachtlijst vast van kandidaten die in aanmerking komen voor een standplaats.

Ingevolge het derde lid vermeldt de wachtlijst de namen van de kandidaten in de volgorde van inschrijving.

Ingevolge artikel 2.2.4, eerste lid, besluit het college van burgemeester en wethouders alleen dan tot verlening van een vergunning ex artikel 2.2.2 voor een standplaats over te gaan indien de kandidaat staat ingeschreven op de in artikel 2.2.3 genoemde lijst.

Ingevolge het tweede lid verleent het college van burgemeester en wethouders een vergunning ex artikel 2.2.2 aan een kandidaat voor een standplaats wiens naam bovenaan de in artikel 2.2.3 genoemde lijst staat en stelt hem of haar hiervan schriftelijk op de hoogte.

2.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar de bij besluit van 15 maart 2010 opgelegde last onder dwangsom gehandhaafd. Aangezien [appellant] niet in het bezit is van een standplaatsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening is de overtreding van dit artikel volgens het college een gegeven. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. De enkele omstandigheid dat [appellant] op de wachtlijst staat als bedoeld in artikel 2.2.3 van de Huisvestingsverordening brengt namelijk niet mee dat aan hem een standplaatsvergunning dient te worden verleend, nu drie personen die boven [appellant] op de wachtlijst staan geplaatst te kennen hebben gegeven de betrokken standplaats te willen innemen. Voorts is volgens het college geen concrete toezegging gedaan door het daartoe bevoegde gezag waaraan [appellant] een gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen. Ten slotte is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een standplaatsvergunning voor de [locatie 1] dient te worden verleend, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Hoewel vaststaat dat [appellant] niet bovenaan de wachtlijst staat als bedoeld in artikel 2.2.3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening, neemt dit volgens hem niet weg dat hij in theorie wel in aanmerking kan komen voor de standplaatsvergunning. [appellant] voert tevens aan dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat hij feitelijk ook in aanmerking komt voor de standplaatsvergunning, nu drie boven hem geplaatste personen op de wachtlijst hem ondubbelzinnig te kennen hebben gegeven de standplaats aan zich voorbij te willen laten gaan. Indien deze personen zouden zijn gehoord, zou uit hun verklaringen blijken dat [appellant] de eerste gegadigde is voor de standplaatsvergunning waardoor een concreet zicht op legalisatie bestaat. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat het college kon volstaan met het overleggen van geanonimiseerde brieven waaruit blijkt dat drie hoger geplaatste personen op de wachtlijst in aanmerking willen komen voor de standplaatsvergunning, aldus [appellant].

2.3.1. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.2. Met de voorzieningenrechter stelt de Afdeling vast dat de Huisvestingsverordening imperatief voorschrijft wanneer iemand in aanmerking komt voor een standplaatsvergunning. Uit de door het college overgelegde brieven van 15 februari 2010, 18 februari 2010 en 25 februari 2010 blijkt dat drie hoger op de wachtlijst als bedoeld in artikel 2.2.3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening geplaatste personen te kennen hebben gegeven in aanmerking te willen komen voor een standplaatsvergunning voor [locatie 1]. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat deze brieven zijn geanonimiseerd geen aanleiding geeft tot twijfel dat deze drie personen boven [appellant] op de wachtlijst staan. Anders dan [appellant], ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat indien de drie hoger geplaatste personen op de wachtlijst zouden zijn gehoord, zou blijken dat [appellant] de eerste gegadigde is voor de standplaatsvergunning voor [locatie 1]. [appellant] stelt weliswaar dat deze drie personen hem ondubbelzinnig te kennen hebben gegeven van de standplaats voor de [locatie 1] af te zien, maar heeft dit niet met schriftelijke verklaringen onderbouwd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college bij besluit van 19 oktober 2010 een aanvraag van [appellant] om een standplaatsvergunning voor [locatie 1] heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat gelet op het veelvuldige contact tussen de heer Wijnen van de gemeente ’s-Hertogenbosch en mevrouw Klerkx van woningbouwcorporatie Zayaz (hierna: Zayaz) en op de op 16 februari 2009 tussen [appellant] en Zayaz gesloten huurovereenkomst, het handelen van Zayaz aan het college kan worden toegerekend. Daardoor zou sprake zijn van een aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging door een daartoe bevoegd persoon waaraan [appellant] rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen. Hiertoe voert [appellant] aan dat het verlenen van een standplaatsvergunning niet slechts een bestuursrechtelijke aangelegenheid is, omdat de civielrechtelijke eigendom van de standplaatsen berust bij Zayaz en het contact voornamelijk met Zayaz verloopt. [appellant] stelt contact te hebben gehad met de heer Wijnen die op zijn beurt contact heeft gehad met mevrouw Klerkx van Zayaz, waardoor het college volgens [appellant] op de hoogte was van de situatie. De voorzieningenrechter heeft mevrouw Klerkx van Zayaz ten onrechte niet gehoord, aldus [appellant].

2.4.1. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat [appellant] aan het afsluiten van de huurovereenkomst met Zayaz geen rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen. De omstandigheid dat Zayaz [appellant] heeft benaderd met het aanbod om standplaats in te nemen op de [locatie 1], laat onverlet dat op grond van artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening slechts het college bevoegd is om een standplaatsvergunning te verlenen en niet Zayaz. Het volgens [appellant] gestelde veelvuldige contact tussen Zayaz en de heer Wijnen doet hier niet aan af. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat [appellant] ten tijde van het afsluiten van de huurovereenkomst met Zayaz niet op de wachtlijst stond als bedoeld in artikel 2.2.3 van de Huisvestingsverordening. Evenzeer is van belang dat [appellant], wegens de gang van zaken bij het verlenen van een standplaatsvergunning aan zijn ouders voor [locatie 2], er bekend mee kon zijn dat eerst door het college een standplaatsvergunning moet worden verleend en dat pas daarna een huurovereenkomst met Zayaz kan worden gesloten. Voor zover [appellant] betoogt dat hij de eerste gegadigde is voor de standplaats waardoor geen rekening dient te worden gehouden met derde belanghebbenden die een concreet belang bij handhaving zouden hebben, overweegt de Afdeling dat dit betoog reeds faalt op grond van hetgeen onder 2.3.2. is overwogen.

2.5. Omdat het oordeel van de voorzieningenrechter wordt bevestigd, heeft [appellant] geen belang bij het betoog met betrekking tot de toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb door de voorzieningenrechter.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb worden de invorderingsbesluiten van 15 december 2010 en 27 juni 2011 geacht voorwerp te zijn van dit geding, nu daartegen van rechtswege beroep is ontstaan.

2.8. Uit de invorderingsbesluiten van 15 december 2010 en 27 juni 2011 blijkt dat is geconstateerd dat [appellant] binnen vijf maanden na dagtekening van het besluit op bezwaar de standplaats aan de [locatie 1] niet heeft verlaten. Nu [appellant] tegen beide invorderingsbesluiten geen gronden heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte is overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen.

2.9. De Afdeling zal de beroepen tegen de besluiten van 15 december 2010 en 27 juni 2011 ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 15 december 2010 en 27 juni 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

176-697.