Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201100096/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die zich in zijn dossier bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg bevinden en van de meldingen die hij bij die inspectie heeft ingediend, ingewilligd, met dien verstande dat de daarin opgenomen persoonsgegevens onleesbaar zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100096/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 november 2010 in zaak nr. 10/1881 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die zich in zijn dossier bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg bevinden en van de meldingen die hij bij die inspectie heeft ingediend, ingewilligd, met dien verstande dat de daarin opgenomen persoonsgegevens onleesbaar zijn gemaakt.

Bij besluit van 7 juni 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 februari 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2011, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.L.G.M. van de Walle en mr. C.O. de Mooij, beiden werkzaam bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De minister heeft het bezwaar, onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van 7 juni 2010, niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij bij het besluit van 4 augustus 2009 aan het verzoek om openbaarmaking heeft voldaan en [appellant] daarom geen belang heeft bij de behandeling van het bezwaar tegen dat besluit.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij heroverweging van het besluit van 4 augustus 2009 en dat de inhoudelijke bezwaren van [appellant] ten aanzien van het optreden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg in een klachtprocedure aan de orde kunnen worden gesteld.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen grond om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. De rechtbank heeft de omvang van het geschil terecht beperkt tot de besluitvorming over het verzoek om openbaarmaking van informatie, nu bij haar alleen het besluit van 7 juni 2010 voorlag. Gelet hierop heeft zij de beroepsgronden van [appellant] die zien op de achterliggende kwestie die aan dat verzoek ten grondslag liggen, te weten de door hem gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de mens door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en andere overheidsinstanties, terecht niet inhoudelijk behandeld. Om dezelfde reden zullen de in hoger beroep aangevoerde gronden van [appellant], die eveneens uitsluitend zien op voormelde kwestie, niet inhoudelijk worden besproken.

2.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals [appellant] ter zitting heeft verzocht, de behandeling van het hoger beroep aan te houden teneinde nader onderzoek naar voormelde kwestie te doen.

De Afdeling sluit het onderzoek in zaak nr. 201100096/1/H3.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

611.