Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR4000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201012843/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college de besluiten waarin aan [appellant] een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart is verleend en hem een gehandicaptenparkeerplaats is toegekend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012843/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 november 2010 in zaak nr. 10/2376 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college de besluiten waarin aan [appellant] een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart is verleend en hem een gehandicaptenparkeerplaats is toegekend, ingetrokken.

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Baladien, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, onder a, van het Besluit Stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart wordt verstaan onder gehandicaptenparkeerkaart: een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart, afgegeven op voet van artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, welke geldig is in de gemeente van afgifte.

Ingevolge artikel 2 kan een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt aan bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 doch niet meer dan 200 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet verstrekt dan nadat een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager. Dit onderzoek dient te worden aangevraagd en ingediend bij het indicatiebureau van de Dienst Onderwijs, Cultuur & Welzijn van de gemeente Den Haag.

Volgens punt 3.2 van de Beleidsregels gehandicapten parkeren kunnen voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van passagiers personen in aanmerking komen die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

2.2. Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart afgewezen en hem een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart toegekend. Voorts heeft het college hem bij besluit van 4 maart 2009 een gehandicaptenparkeerplaats voor de duur van twee jaar toegekend. Aan deze besluiten heeft het college een rapport van 27 januari 2009 van een arts werkzaam bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD-arts) ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van zijn gemaakte bezwaar tegen bovengenoemde besluiten is [appellant] op 10 juni 2009 door een tweede GGD-arts onderzocht, die zijn bevindingen in een rapport van 9 juli 2009 heeft neergelegd. Het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 24 februari 2009 heeft het college bij besluit van 18 september 2009 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 17 maart 2010 ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft de Afdeling in haar uitspraak van 24 november 2010 in zaak nr. 201004310/1/H3, ongegrond verklaard.

2.3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 7 september 2009 heeft het college het hiervoor vermelde rapport van 9 juli 2009 ten grondslag gelegd. In dit rapport concludeert de GGD-arts dat de loopafstand van [appellant] meer dan 200 meter bedraagt, dat hij bij het gaan over straat niet continu afhankelijk is van hulp van derden en dat er geen sprake is van een loopbeperking van langdurige aard. De GGD-arts merkt verder op dat zijn indruk is dat [appellant] van zijn aandoening is hersteld en dat zijn loopfunctie redelijk is hersteld. [appellant] loopt volgens het rapport momenteel zonder stok en heeft bij bewegingsonderzoek een normaal looptempo.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het rapport van 9 juli 2009 onzorgvuldig is en feitelijke grondslag mist. Hij stelt daartoe onder meer dat de conclusie ten aanzien van zijn loopafstand getrokken in dit rapport niet overeenkomt met de conclusie van het rapport van 27 januari 2009 waarin staat dat zijn loopafstand tussen de 100 en 200 meter is. Daarnaast voert hij daartoe aan dat het onderzoek van 10 juni 2009 zeer kort heeft geduurd en dat hij geen 100 meter heeft gelopen, zodat de door de GGD-arts getrokken conclusie feitelijke grondslag mist. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij reeds vele jaren ernstige klachten en beperkingen heeft op grond waarvan hem eerder zowel een Europese als een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart is toegekend. Hij stelt zich op het standpunt dat een deskundige dient te worden benoemd voor het verrichten van een nieuw medisch onderzoek.

Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat zijn bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 februari 2009 heeft geleid tot een slechtere rechtspositie en dat het college aldus in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft gehandeld. Het besluit tot intrekking van de stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart en gehandicaptenparkeerplaats is immers gebaseerd op het rapport van 9 juli 2009, dat is opgesteld naar aanleiding van zijn bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2009.

2.4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 november 2010 in zaak nr. 201004310/1/H3, bestaat geen grond voor het oordeel dat het rapport van 9 juli 2009 onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat dit onvolledig of inhoudelijk onjuist moet worden geacht. Hetgeen [appellant] thans in zijn hogerberoepschrift naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding om op deze eerdere oordelen terug te komen. Voorts leidt de enkele omstandigheid dat hem eerder zowel een Europese als een stadsgewestelijke gehandicaptenparkeerkaart is toegekend, niet tot het oordeel dat het college deze opnieuw aan hem dient te verstrekken.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat zijn bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 februari 2009 heeft geleid tot een slechtere rechtspositie, slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het verbod van reformatio in peius in deze procedure, is noodzakelijk dat [appellant] door bezwaar te maken tegen het besluit van 7 september 2009 in een slechtere positie is komen te verkeren. Hiervan is niet gebleken, nu het besluit tot verlening van een gehandicaptenparkeerkaart en tot toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats bij besluit van 7 september 2009 zijn ingetrokken en dit besluit in bezwaar is gehandhaafd.

Het betoog faalt.

2.4.2. Gelet op hetgeen onder 2.4.1 is overwogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

419-591.