Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201012268/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om de woonruimte op het adres [locatie] met het oog op kamerverhuur van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012268/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Groningen, en [appellant C] en [appellante D], beiden wonend te Lochem (hierna tezamen: [appellant] en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 november 2010 in zaak nr. 10/720 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om de woonruimte op het adres [locatie] met het oog op kamerverhuur van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Bij onderscheiden besluiten van 4 juni 2010 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2010, verzonden op 17 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 januari 2011.

Bij brief van 9 februari 2011 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juni 2011 hebben [appellant] en anderen nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2011, waar [appellant A] en [appellant C], mede als vertegenwoordigers van [appellant B] en [appellant D], en het college, vertegenwoordigd door J.H.M. Ruijs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 31 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder c van de Huisvestingsverordening 2006 gemeente Groningen (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, is het verboden om zonder een onttrekkingsvergunning van het college een woonruimte van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, verleent het college de onttrekkingsvergunning, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge het tweede lid kan het college de vergunning weigeren indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de onttrekkingsvergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, kan het college een verleende onttrekkingsvergunning intrekken of wijzigen, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een ernstige verstoring van het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft.

2.2. Bij besluiten van 22 april en 3 juni 2008 heeft het college een beleid vastgesteld ten aanzien van met het oog op kamerverhuur ingediende aanvragen om vergunning voor het omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte. Volgens dat beleid wordt een dergelijke aanvraag in beginsel toegewezen, indien in de desbetreffende straat het aantal kamerverhuurpanden minder dan 15% van het totale aantal woonruimten zal bedragen. Indien in de desbetreffende straat het aantal kamerverhuurpanden 15% of meer van het totale aantal woonruimten zal bedragen, wordt een dergelijke aanvraag afgewezen. Voor de berekening van het percentage worden de Peizerweg, de Paterswoldseweg en het Hoendiep gesplitst, aldus het beleid.

2.3. [appellant] en anderen betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet op zorgvuldige wijze tot verlening van de door [vergunninghouder] aangevraagde vergunning heeft besloten. Zij voeren daartoe aan dat het besluit van 10 februari 2010 twee dagen na ontvangst van de vergunningaanvraag van [vergunninghouder] is genomen, alsmede dat [vergunninghouder] heeft nagelaten om in het desbetreffende formulier zijn aanvraag te motiveren.

2.3.1. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient de indiener van een aanvraag de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Gelet op het door het college gehanteerde beleid ten aanzien van vergunningaanvragen als de onderhavige, diende het college, teneinde een besluit op de vergunningaanvraag van [vergunninghouder] te nemen, in beginsel slechts vast te stellen of in de Gorechtkade na verlening van de aangevraagde vergunning het aantal kamerverhuurpanden minder dan 15% van het totale aantal woonruimten zou bedragen. Motivering van de aanvraag was niet nodig om deze vaststelling te kunnen verrichten en derhalve was [vergunninghouder] niet verplicht om zijn aanvraag te motiveren. Dat het college op de aanvraag heeft beslist terwijl deze niet was gemotiveerd, geeft dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het besluit van 10 februari 2010 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Dat dit besluit twee dagen na ontvangst van de aanvraag is genomen, geeft evenmin aanleiding voor dat oordeel. Niet is aannemelijk en evenmin is gebleken dat het college de vraag of in de Gorechtkade na verlening van de aangevraagde vergunning het aantal kamerverhuurpanden minder dan 15% van het totale aantal woonruimten zou bedragen, niet binnen twee dagen kon beantwoorden. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de verlening van de door [vergunninghouder] aangevraagde vergunning de schijn van belangenverstrengeling wekt. Zij voeren daartoe aan dat het college heeft nagelaten om onderzoek te doen naar het bestaan van familiebanden tussen [vergunninghouder] en gemeentefunctionarissen, terwijl de behandelend ambtenaar van de vergunningaanvraag, de behandelend ambtenaar voor de technische naleving van de in dit geval geldende geluidsnormen en de voor woningonttrekking verantwoordelijke wethouder allen de achternaam [vergunninghouder] hebben. Zij voeren tevens aan dat [vergunninghouder] de eigendom van de onderhavige woonruimte op 1 april 2010 geleverd heeft gekregen, doch deze op dezelfde dag met winst aan een ander heeft doorgeleverd.

2.4.1. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in het feit dat voormelde gemeentefunctionarissen allen [vergunninghouder] heten, geen aanleiding heeft behoeven te zien om onderzoek te doen naar het bestaan van familiebanden tussen [vergunninghouder] en deze functionarissen. Daartoe wordt allereerst overwogen dat [vergunninghouder] een veel voorkomende achternaam is. Voorts wordt het vermoeden dat de verlening van de vergunning is ingegeven door familiebanden met gemeentefunctionarissen ontkracht doordat het college volgens het door hem gehanteerde beleid de vergunningaanvraag in beginsel moest inwilligen, aangezien, naar het college onweersproken heeft gesteld, in de Gorechtkade na verlening van de aangevraagde vergunning het aantal kamerverhuurpanden 8,26% en derhalve minder dan 15% van het totale aantal woonruimten zou bedragen. Nu het college volgens het beleid de vergunningaanvraag in beginsel moest inwilligen, biedt de gang van zaken bij de overdracht van de eigendom van de onderhavige woonruimte evenmin grond voor het oordeel dat de verlening van de door [vergunninghouder] aangevraagde vergunning de schijn van belangenverstrengeling wekt. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de bezwaaradviescommissie, wier advies bij de besluiten van 4 juni 2010 is gevolgd, niet onafhankelijk was, aangezien een lid van die commissie ter zitting bij de rechtbank als vertegenwoordiger van het college is opgetreden. Dit betoog faalt echter, omdat de in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb neergelegde eis van onafhankelijkheid alleen de voorzitter van de bezwaaradviescommissie betreft.

2.6. [appellant] en anderen betogen ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vergunningaanvraag van [vergunninghouder] ten onrechte heeft ingewilligd. Zij voeren daartoe allereerst aan dat in het gedeelte van de Gorechtkade tussen het Linnaeusplein en de Ripperdalaan voor de verlening van de vergunning reeds meer dan 15% van het totale aantal woonruimten uit kamerverhuurpanden bestond. Tevens voeren zij aan dat de onderhavige woonruimte uit bouwkundig oogpunt niet geschikt is voor kamergewijze bewoning, alsmede dat inmiddels ernstige overlast is ontstaan doordat deze woonruimte kamergewijs wordt bewoond.

2.6.1. Gelet op het door het college gehanteerde beleid, was het feit dat, naar [appellant] en anderen stellen, in voormeld gedeelte van de Gorechtkade reeds meer dan 15% van het totale aantal woonruimten uit kamerverhuurpanden bestond, niet relevant voor de beslissing op de vergunningaanvraag van [vergunninghouder]. Volgens dat beleid diende het aantal kamerverhuurpanden in de gehele straat als uitgangspunt te worden genomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 november 2009 in zaak nr. 200904080/1/H3, is dat beleid niet onredelijk. Nu, zoals hiervoor is overwogen, in de Gorechtkade na verlening van de door [vergunninghouder] aangevraagde vergunning het aantal kamerverhuurpanden minder dan 15% van het totale aantal woonruimten zou bedragen, diende het college volgens het beleid de aanvraag van [vergunninghouder] in beginsel in te willigen. Zoals het college heeft toegelicht, bestond geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken, aangezien de onderhavige woonruimte, welke nog niet eerder kamergewijs werd bewoond, geen geschiedenis van aan kamergewijze bewoning gerelateerde overlast had.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, kunnen geen omstandigheden worden gevonden die het college desondanks tot afwijzing van de aanvraag hadden moeten nopen. Zo zouden de door hen aangevoerde bouwkundige omstandigheden niet tot afwijzing van de aanvraag hebben kunnen leiden, aangezien een vergunning voor het omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte ingevolge artikel 31 van de Huisvestingswet en artikel 27, eerste lid, van de Verordening slechts in verband met het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad mag worden geweigerd. Voorts kan de door [appellant] en anderen gestelde overlast die zou zijn ontstaan doordat de onderhavige woonruimte kamergewijs wordt bewoond, niet worden betrokken bij de beoordeling van de bij de rechtbank bestreden besluiten van 4 juni 2010, nu zij pas na deze besluiten melding hebben gemaakt van deze overlast. [appellant] en anderen kunnen de door hen ervaren overlast aan de orde stellen bij een verzoek om intrekking van de verleende vergunning, waartoe het college op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening kan overgaan indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de kamergewijze bewoning van de woonruimte leidt tot een ernstige verstoring van het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van deze woonruimte.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de vergunningaanvraag van [vergunninghouder] ten onrechte heeft ingewilligd. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

582.