Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201100912/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkvee- en vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie 1] te Warns. Dit besluit is op 10 december 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 2
Wet geurhinder en veehouderij 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/26
JOM 2012/386
Milieurecht Totaal 2012/6112
Milieurecht Totaal 2012/5693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100912/1/M2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Warns, gemeente Súdwest Fryslân,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, thans: Súdwest Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkvee- en vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie 1] te Warns. Dit besluit is op 10 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Hobma en L. Soolsma, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wabo. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellant] vreest geurhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Hij stelt dat ten onrechte geen garanties zijn gegeven dat hij geen overlast zal ondervinden. Ook is [appellant] recreatiebedrijf aan [locatie 2] volgens hem ten onrechte niet bij het geuronderzoek betrokken.

2.2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2.2.2. Tot het recreatiebedrijf van [appellant] behoort onder meer een pension aan [locatie 2] en een recreatiewoning aan [locatie 3] te Warns. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900791/1/M2 heeft overwogen, volgt uit de parlementaire geschiedenis dat met de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij mede is beoogd om gebouwen die niet dienen tot permanent verblijf bescherming tegen geurhinder te bieden, zodat een recreatiewoning - en in de onderhavige zaak ook een pension - als geurgevoelig object als bedoeld in dat artikel moet worden aangemerkt.

2.2.3. Verder staat vast dat het recreatiebedrijf buiten een concentratiegebied als vermeld in bijlage I bij de Meststoffenwet is gelegen. Voor de beantwoording van de vraag welke geurnorm op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij voor de recreatiewoning en het pension geldt, is derhalve bepalend of deze gebouwen binnen dan wel buiten de bebouwde kom zijn gelegen.

2.2.4. Het begrip bebouwde kom kan volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

2.2.5. Aan de weg 't Sou te Warns zijn verschillende woningen en agrarische bedrijven gelegen. Aan deze weg liggen zowel het recreatiebedrijf van [appellant] als de inrichting. De omgeving van de weg bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Hoewel er enige concentratie van gebouwen en bevolking bestaat, is de omvang daarvan te klein om die concentratie als bebouwde kom aan te kunnen merken. Het recreatiebedrijf van [appellant] ligt derhalve buiten de bebouwde kom, zodat de geurbelasting op de recreatiewoning en het pension van het bedrijf op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet geurhinder en veehouderij maximaal 8 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen.

2.2.6. Ten behoeve van het bestreden besluit is een geuronderzoek verricht waarbij de geurbelasting vanwege de inrichting op de geurgevoelige objecten aan 't Sou 27 en 31 is berekend. De geurbelasting bedraagt op voormelde punten onderscheidenlijk 1,3 en 2,1 odour units per kubieke meter lucht. Hieruit kan worden afgeleid dat de geurbelasting ter plaatse van het recreatiebedrijf van [appellant] tussen voormelde waarden zal liggen. Daarmee wordt voldaan aan de geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet geurhinder en veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij staat in zoverre dan ook niet aan vergunningverlening in de weg.

De beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

492-628.