Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201012349/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte in Amsterdam en zich met dat doel gevestigd hebben of optreden als woning- en kamerbemiddelingsbureau te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012349/1/H3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010 in zaken nrs. 10/2900 en 10/2901 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte in Amsterdam en zich met dat doel gevestigd hebben of optreden als woning- en kamerbemiddelingsbureau te staken.

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college geweigerd [appellant] een vergunning te verlenen voor bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 mei 2010 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 18 juni 2009 en 26 november 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2010, verzonden op 8 november 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, en S.M.J. Nicolini, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Last onder dwangsom

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening op de woning- en kamerbemiddelingsbureaus 2006 van de gemeente Amsterdam (hierna: de verordening) wordt in deze verordening onder bemiddeling verstaan zowel het tegen vergoeding registreren van woning- of kamerzoekenden als het bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte, handelend als tussenpersoon, doen aanbieden van woonruimte van derden aan een woning- of kamerzoekende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college:

a. bemiddeling te verlenen bij het verkrijgen van woonruimte;

b. zich met dat doel te vestigen of op te treden als woning- en kamerbemiddelingsbureau.

2.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in strijd met artikel 2, eerste lid, van de verordening heeft gehandeld. Om het bemiddelen bij het verkrijgen van woonruimte zonder vergunning te doen staken, heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Er bestaat geen zicht op legalisatie en ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op basis waarvan handhavend optreden in dit geval onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bemoeienis die hij heeft gehad met de verhuur van de woningen aan de Van Speijkstraat, Cornelis Dirkszstraat en Van Gentstraat als bemiddeling kan worden gekwalificeerd. Volgens [appellant] kan niet worden geconcludeerd dat hij bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte heeft gehandeld. Op basis van de beschikbare (politie)gegevens is onvoldoende komen vast te staan dat een overtreding heeft plaatsgevonden, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld wordt door [appellant] niet langer weersproken dat de onderverhuur door [appellant] van een aantal woningen aan de Vechtstraat kan worden gekwalificeerd als bemiddeling in de zin van de verordening. Voorts betwist [appellant] niet dat hij ten aanzien van de woningen aan de Van Speijkstraat, Cornelis Dirkszstraat en Van Gentstraat partijen bij elkaar heeft gebracht teneinde te bewerkstelligen dat huurovereenkomsten werden gesloten. Uit een verklaring van een medewerkster van een makelaarskantoor volgt dat [appellant] bij het kantoor informeerde naar woningen en vervolgens daarvoor een huurder vond. Om dit handelen van [appellant] als bemiddeling te kunnen aanmerken, dient echter aannemelijk te zijn dat hij dit bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte heeft gedaan.

Gelet op de bemiddeling door [appellant] ten aanzien van de woningen aan de Vechtstraat en zijn activiteiten in het verleden waarbij hij met een vergunning optrad als woning- en kamerbemiddelingsbureau alsmede de aanvraag van 10 juli 2009 voor een vergunning voor bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte, is niet aannemelijk dat [appellant] ten aanzien van de genoemde woningen slechts handelde vanuit het oogpunt mensen uit zijn netwerk te helpen. Daarbij komt dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de politie Amsterdam-Amstelland van 9 april 2008 kan worden opgemaakt dat [appellant] aanzienlijke bedragen aan bemiddelingskosten heeft gerekend voor het bij elkaar brengen van partijen. De enkele betwisting daarvan door [appellant], biedt een onvoldoende aanknopingspunt om niet van de juistheid daarvan uit te gaan. Het college heeft zich op grond van het vorenstaande terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] deze werkzaamheden bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte heeft uitgevoerd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college het bij elkaar brengen van partijen door [appellant] bij de verhuur van de woningen aan de Van Speijkstraat, Cornelis Dirkszstraat en Van Gentstraat terecht heeft gekwalificeerd als bemiddeling in de zin van de verordening. Het betoog faalt.

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [appellant] ten tijde van belang heeft gehandeld in strijd met artikel 2, eerste lid, van de verordening, zodat het college bevoegd was handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat het college in deze situatie behoorde af te zien van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Volgens [appellant] bestaat zicht op legalisatie van de bestaande situatie, nu hij de benodigde vergunning heeft aangevraagd en deze vergunning hem ten onrechte is geweigerd.

2.5.1. Aangezien [appellant], naar het college onweersproken heeft gesteld, destijds geen vergunning had aangevraagd voor het bemiddelen bij het verkrijgen van woonruimte kon de situatie ten tijde van het besluit van 18 juni 2009 niet worden gelegaliseerd. Dat [appellant] nadien een vergunning heeft aangevraagd en deze vergunning hem ten onrechte is geweigerd, kan, wat daar verder ook van zij, hieraan niet afdoen.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college hiervan had dienen af te zien.

Vergunningaanvraag

2.6. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de verordening kan het college een vergunning in ieder geval weigeren indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat, dat de aanvrager bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte zal schaden of dat daarbij het belang van de betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende zal zijn gewaarborgd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, mag de vergunninghouder met betrekking tot zelfstandige woonruimte met een huurprijs tot de grens bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de huurtoeslag uitsluitend bemiddelen, indien de overeen te komen huurprijs de maximale huurprijsgrens uit bijlage I van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte niet overschrijdt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is de vergunninghouder verplicht, alvorens tot het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte, dan wel tot (onder)verhuur van woonruimte over te gaan, de eigenaar van de woonruimte in de zin van de Huisvestingswet een schriftelijke toestemming te vragen.

2.7. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering van het college om aan [appellant] vergunning te verlenen voor bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] zonder de vereiste vergunning heeft bemiddeld bij het verkrijgen van woonruimte voor een te hoge huurprijs en zonder toestemming van de eigenaar. Gelet daarop bestaat volgens het college een gegronde vrees dat [appellant] bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte zal schaden of dat daarbij het belang van de betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende zal zijn gewaarborgd. Voorts is niet gebleken dat aan de belangen die worden vertegenwoordigd door de verordening geen doorslaggevend gewicht kan worden gegeven, aldus het college.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat hij via de beheerder de vereiste toestemming heeft verkregen van de eigenaren van de betrokken woningen aan de Vechtstraat om deze woningen onder te verhuren. [appellant] wijst hierbij op een uitspraak van 20 september 2010 van de kantonrechter in een civiele procedure. Nu de rechtbank verder slechts ten aanzien van één woning heeft geoordeeld dat hij een te hoge huurprijs heeft gevraagd, kan volgens [appellant] niet worden staande gehouden dat een gegronde vrees bestaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening en acht hij de weigering hem vergunning te verlenen disproportioneel.

2.8.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een gegronde vrees bestaat dat [appellant] bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte zal schaden of dat daarbij het belang van de betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende zal zijn gewaarborgd. Niet in geschil is dat [appellant] geen expliciete toestemming heeft gekregen van de eigenaren van de woonruimten voor het overgaan tot onderverhuur. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het niet verkrijgen van die toestemming in dit geval gerechtvaardigd was vanwege de toestemming van de beheerder van de betreffende woonruimten. Het had in dit geval op de weg van [appellant] gelegen om bij de eigenaren van de woonruimten na te gaan of de beheerder hiervoor door hen was gemachtigd. Dat geldt te meer nu geen beheerovereenkomst voorhanden was en de bedoelde toestemming in het algemeen geen onderdeel uitmaakt van beheerwerkzaamheden. Dat de kantonrechter, in het kader van de beoordeling of bedoeld handelen van [appellant] jegens de eigenaren van de woningen onrechtmatig is en tot aansprakelijkheid leidt, heeft overwogen dat [appellant] door het onderverhuren en verbouwen van de woningen niet heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen als huurder, betekent, anders dan [appellant] heeft gesteld, niet dat het college zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zonder toestemming van de eigenaren van de betrokken woonruimten is overgegaan tot onderverhuur, hetgeen volgens de verordening verboden is.

Voor het oordeel dat er thans van moet worden uitgegaan dat de woning aan de Vechtstraat 36-1 boven de huurprijsgrens ligt, zoals [appellant] in zijn nadere reactie heeft gesteld, ziet de Afdeling evenmin grond. Volgens de door [appellant] overgelegde puntentelling telt de woning 126 punten. Voor een woonruimte met 126 punten geldt een maximale huurprijs van € 570,62. Nu [appellant] de woning voor een bedrag van € 1200,00 per maand verhuurde, heeft de rechtbank dienaangaande terecht geconcludeerd dat de huurprijs voor deze woning de maximale huurprijsgrens uit bijlage I van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte overschrijdt, hetgeen volgens de verordening verboden is. De door [appellant] eerst in hoger beroep overgelegde brief van het Bureau Zoeklicht van de gemeente Amsterdam van 22 juni 2007 gericht aan de eigenaren van de woning kan daaraan, zonder nadere motivering aan de hand van een puntentelling, niet afdoen.

2.8.2. Het betoog van [appellant] dat het weigeren van de vergunning disproportioneel is, omdat deze weigering uitsluitend zou zijn gebaseerd op het onderverhuren voor een te hoge huurprijs van één woning, kan gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.1 is overwogen niet slagen. Daaruit volgt immers dat [appellant] tevens heeft bemiddeld bij het verkrijgen van woonruimte zonder toestemming van de eigenaar.

Voorts ziet de Afdeling met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering van de vergunning heeft kunnen besluiten.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

419-597.