Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
201008256/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Afferden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008256/1/R3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Afferden, gemeente Bergen (L),

en

de raad van de gemeente Bergen (L),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Afferden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. de Jong, en de raad, vertegenwoordigd door H.S.W. Banken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het plan is, voor zover thans van belang, het bouwvlak voor de percelen aan de Melingstraat 29 tot en met 53 ten opzichte van het voorgaande plan vergroot tot op de achtergrens van die percelen. De woning van [appellant] staat op het perceel [locatie 1] en is gelegen ten oosten, aan de achterzijde, van de percelen Melingstraat 45, 47, 49 en 51.

2.2. Aan de vergroting van het bouwvlak is volgens [appellant] geen deugdelijke motivering ten grondslag gelegd. Het had op de weg van het college van burgemeester en wethouders gelegen destijds op te treden tegen ter plaatse illegaal aanwezige bebouwing in plaats van deze nu bij recht te bestemmen. Het opnemen van een bouwvlak tot op de achtergrens voor de percelen aan de Melingstraat 29 tot en met 53 heeft naar zijn stellen een negatieve invloed op de geleidelijke overgang naar het buitengebied. De bebouwing op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is passend te achten in het buitengebied, zulks in tegenstelling tot bebouwing in de achtertuinen van de percelen Melingstraat 45, 47, 49 en 51. Achter de meer noordelijk gelegen percelen aan de Melingstraat bevindt zich geen bebouwing.

Verder voert [appellant] aan dat hij er op mocht vertrouwen dat bij het plan zou worden aangesloten bij de "Nota inspraakreacties bestemmingsplan Afferden" (hierna: de inspraaknota). Daarin heeft het college van burgemeester en wethouders opgenomen dat er geen aanwijsbare reden is om de bestemming "Wonen (W)" tot op de achtergrens van voornoemde percelen te laten doorlopen en een geleidelijke overgang naar het buitengebied gewenst is.

2.2.1. Blijkens de bij het bestreden besluit vastgestelde zienswijzennota heeft de raad in aanmerking genomen dat in verband met een handhavingszaak ter plaatse nader onderzoek is gedaan. Hieruit is naar voren gekomen dat op meer percelen bebouwing is opgericht in de achtertuinen bij deze woningen. Een deel van de opgerichte bebouwing betreft vergunningvrije bouwwerken maar voor het perceel Melingstraat 43 is begin 2008 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een zwembad met tuinmuur en afdak. Het beperken van de bebouwing in de achtertuinen van de woningen aan de Melingstraat levert volgens de raad geen positieve bijdrage aan het in stand houden van een geleidelijke overgang naar het aangrenzende buitengebied, aangezien de achtertuinen van de Melingstraat 37 tot en met 53 allemaal grenzen aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] waarop een woonhuis met bijgebouwen onderscheidenlijk een werkplaats staan, zodat extra bebouwing op de percelen aan de Melingstraat geen negatieve invloed heeft op een geleidelijke overgang naar het buitengebied. De percelen [locatie 1] en [locatie 2] hebben bovendien een bedrijfsbestemming ten behoeve van confectieindustrie. Voorts voert de raad aan dat de belangen van [appellant] zijn meegewogen bij de vaststelling van het plan. De belangen van de bewoners van de Melingstraat 29 tot en met 53 zijn gediend met de in het plan vastgelegde bouwmogelijkheden en de belangen van [appellant] worden nauwelijks geschaad.

2.2.2. Gegeven de reeds aanwezige en als zodanig bestemde bebouwing op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de bij het plan mogelijk gemaakte bebouwing tot op de achtergrens van de percelen aan de Melingstraat 29 tot en met 53 geen negatieve invloed heeft op de geleidelijke overgang naar het buitengebied. Dat dit anders zou liggen voor de meer noordelijk gelegen percelen aan de Melingstraat ziet de Afdeling gezien aard de omvang van de op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] aanwezige bebouwing niet in. Hierbij acht de Afdeling van belang dat [appellant] niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de bebouwing op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in tegenstelling tot de overige door het plan mogelijk gemaakte bebouwing passend is in het buitengebied. Ter plaatse is achter de woning van [appellant] onder meer een als zodanig bestemd confectieatelier aanwezig met een nokhoogte van ongeveer 5 m en een oppervlakte van ongeveer 435 m². In dit verband heeft de raad voorts gewicht mogen toekennen aan de voor het perceel Melingstraat 43 verleende vrijstelling en bouwvergunning, waartegen [appellant] niet is opgekomen.

Verder ziet de Afdeling niet in dat de raad bij de vaststelling van het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is teruggekomen van het in de inspraaknota ingenomen standpunt dat het achterste deel van de achtertuinen van de percelen aan de Melingstraat vrij moet blijven van bebouwing. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit standpunt berustte op een nadien onjuist gebleken beeld van de ter plaatse aanwezige bebouwing. Bovendien dient de raad naar aanleiding van de terinzagelegging en hetgeen op grond daarvan naar voren komt omtrent de af te wegen belangen opnieuw te bezien in hoeverre het ontwerpplan aanpassing behoeft.

2.2.3. [appellant] betoogt verder dat de vergroting van het bouwvlak een onaanvaardbare aantasting van zijn privacy en lichtinval in zijn woning met zich brengt.

2.2.4. De Afdeling overweegt in dit verband dat gelet op het bepaalde in artikel 14.2., aanhef en onder e, van de planregels in de perceelsgrens ter plaatse geen hoofdgebouw kan worden opgericht. De maximale goothoogte van een bijgebouw in de perceelsgrens is in artikel 14.2.2 van de planregels bepaald op 3,2 m. Gegeven verder de ook voorheen al bestaande mogelijkheden om in de achtertuin een erfafscheiding of een vergunningvrij bouwwerk op te richten heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de vergroting van het bouwvlak geen onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant] tot gevolg heeft.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zo ver bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zo verre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011

45-682.