Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201012599/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het college aan [appellante] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd bouwen van een recreatiewoning op het perceel [locatie], te Berg en Dal, gemeente Groesbeek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012599/1/H1.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2010 in zaak nr. 09/5065 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het college aan [appellante] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd bouwen van een recreatiewoning op het perceel [locatie], te Berg en Dal, gemeente Groesbeek.

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [bezwaarmakers] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 29 oktober 2009 heeft het college het besluit van 24 oktober 2008 herroepen en alsnog geweigerd [appellante] bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. TJ.P. Grünbauer, advocaat te Ede, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. de Clonie MacLennan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [bezwaarmaker] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 december 2004 heeft het college aan [appellante] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

2.2. Het voorliggende bouwplan ziet op het gewijzigd uitvoeren van het bij besluit van 7 december 2004 vergunde bouwplan. Volgens de bij de aanvraag behorende tekeningen is de diepte van de fundering vastgesteld op 2,60 m ten opzichte van de onderkant van de begane grondvloer. Voorts worden de kalkstenen wanden vervangen door wanden van gewapend beton. De aldus ontstane ruimte wordt gevuld met schoon zand, waardoor een kruipruimte van 0,75 cm ontstaat.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de voorgestane wijzigingen bouwvergunningsvrij zijn. Daartoe voert zij aan dat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn.

2.3.1. Het betoog faalt. De voorgestane wijzigingen kunnen, nu deze betrekking hebben op de fundering van de recreatiewoning, niet worden aangemerkt als veranderingen van niet ingrijpende aard waardoor op grond van het Besluit bouwvergunningvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken geen bouwvergunning is vereist. De wijzigingen kunnen evenmin worden geacht deel uit te maken van de op 7 december 2004 verleende bouwvergunning, reeds omdat de tekeningen daarvoor zijn ingediend ruim nadat die bouwvergunning in rechte onaantastbaar is geworden.

2.4. [appellante] voert aan dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de nadere aanduiding "vakantiewoning". Ingevolge artikel 6.1. van de planvoorschriften zijn gronden, aangeduid als "vakantiewoningen", tevens bestemd voor de bestaande vakantiewoningen.

Ingevolge artikel 6.2 mogen op de als Bos- en natuurgebied aangeduide gronden uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van het bos- en natuurbeheer en het recreatief medegebruik worden opgericht, met dien verstande dat de vakantiewoningen mogen behouden blijven daar waar en ten hoogste in de omvang waarin deze op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan conform de bouwvergunning is toegestaan.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit artikel 6.2 van de planvoorschriften volgt dat, ervan uitgaande dat op het perceel een recreatiewoning zou zijn toegestaan, deze niet groter mag zijn dan de recreatiewoning waarvoor bij besluit van 6 maart 1990 bouwvergunning is verleend, te weten circa 95 m². Uit de bij het in het geding zijnde bouwplan behorende bouwtekeningen blijkt dat het bouwplan in elk geval wat betreft de omvang, die 99 m² betreft, afwijkt van de bouwvergunning van 6 maart 1990. Gelet hierop is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan en kon het slechts worden vergund nadat daarvoor ontheffing was verleend. Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd ontheffing te verlenen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het college heeft verzuimd de bij besluit van 7 december 2004 verleende bouwvergunning bij zijn belangenafweging omtrent de ontheffing te betrekken.

2.5.1. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: Wro), kan het college ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Het college heeft ten aanzien van de ontheffingsmogelijkheid van artikel 3.23, van de Wro op 18 november 2008 beleidsregels vastgesteld. In die beleidsregels is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Aan verzoeken die betrekking hebben op locaties in het buitengebied en zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied" zal geen medewerking worden verleend, omdat de in dit plan opgenomen wijzigings- en ontheffingsmogelijkheden als toereikend worden aangemerkt."

2.5.2. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.5.3. Het verlenen van een ontheffing voor een recreatiewoning met een oppervlakte van meer dan 75 m² past niet in de beleidsregels. De beleidsregels ontsloegen het college, gelet op het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb, echter niet van de verplichting om te beoordelen of er sprake was van bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van de beleidsregels.

In dit geval doet zich een bijzondere omstandigheid voor nu het college bij besluit van 7 december 2004 aan [appellante] bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Nu dit besluit in rechte vaststaat, diende het college bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing de mogelijkheid om een recreatiewoning te realiseren met een oppervlakte van 99 m², als een gegeven te beschouwen.

De voorgestane wijzigingen zijn ten opzichte van het bij besluit van 7 december 2004 vergunde bouwplan in planologisch opzicht beperkt nu zij slechts de fundering betreffen en de oppervlakte van het bouwwerk niet verandert. Voor zover de voorziening die is getroffen ter opvulling van de fundering niet zou worden gerealiseerd en op die manier de inhoud zou worden vergroot, bestaat er voor het college de mogelijkheid om handhavend op te treden. Gelet op het voorgaande staan de beleidsregels, die zien op de oppervlakte van bouwwerken en niet op de wijze van funderen, niet aan het toestaan van de wijziging in de weg.

Voorts is [appellante] uitgegaan van het peil zoals dit op de bij het besluit van 7 december 2004 behorende bouwtekening staat aangegeven. Door het college is niet aannemelijk gemaakt dat dit peil onjuist is vastgesteld dan wel dat [appellante] om andere redenen niet van dit peil heeft mogen uitgaan.

Nu het college bij de besluiten van 29 oktober 2009 de rechten die voortvloeien uit het besluit van 7 december 2004 ten onrechte niet heeft betrokken, zijn deze genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank tegen de besluiten van 29 oktober 2009 alsnog gegrond verklaren. Deze besluiten dienen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [bezwaarmakers] te nemen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2010 in zaak nr. 09/5065;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 29 oktober 2009, kenmerk H 20080822 en B 20080181;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderd vierentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

17-713.