Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201011882/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurocommerce Projectontwikkeling B.V. (hierna: Eurocommerce) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een kantoorgebouw met parkeergarage op het perceel, plaatselijk bekend Dellaertweg (U-bochtlocatie) te Leiden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011882/1/H1.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de commanditaire vennootschap Vastproduct C.V. en de naamloze vennootschap VastNed Offices/Industrial N.V. (hierna tezamen: VastNed), beide gevestigd te Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 november 2010 in zaken nrs. 08/2946 en 08/3966 in het geding tussen:

VastNed,

[appellant sub 2] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurocommerce Projectontwikkeling B.V. (hierna: Eurocommerce) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een kantoorgebouw met parkeergarage op het perceel, plaatselijk bekend Dellaertweg (U-bochtlocatie) te Leiden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college de door onder meer VastNed en [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door VastNed en [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben VastNed bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Eurocommerce een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011, waar, [appellant sub 2] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, H. Verkuil en A. Hogendoorn, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Eurocommerce, bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In het kantoorgebouw, Le Carrefour genaamd, waarvan het kantoorgedeelte een oppervlakte heeft van ongeveer 32.000 m2, zullen tegelijkertijd 1000 à 1200 werknemers werkzaam zijn. De parkeergarage voorziet in ongeveer 340 parkeerplaatsen. VastNed is eigenares van het naast het kantoorgebouw gelegen perceel Schipholweg 68 en het daarop gevestigde kantoorpand met parkeerterrein. [appellant sub 2] is woonachtig aan de in de nabijheid van het perceel gelegen Boerhaavelaan.

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leeuwenhoek-Station 92" rust op een deel van het perceel de bestemming "Stationsplein, Busstation en Autotunnel (S-B-A)" en op een ander deel de bestemming "Gemengde Bebouwing 2 (GB2)". Het bouwplan is in strijd met de doeleindenomschrijving van de bestemming "Stationsplein, Busstation en Autotunnel (S-B-A)", terwijl de maximale hoogte die ingevolge de planvoorschriften op gronden met deze bestemming is toegestaan, wordt overschreden. Voorts is het bouwplan in strijd met de planvoorschriften voor de bestemming "Gemengde Bebouwing 2 (GB2)", omdat geen uitwerkingsplan is opgesteld en goedgekeurd, en de ingevolge die voorschriften toegestane bouwhoogte wordt overschreden.

Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4. De raad van de gemeente Leiden heeft zijn vrijstellingsbevoegdheid bij besluit van 14 september 2004 aan het college gedelegeerd.

2.5. VastNed en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte vrijstelling heeft verleend voor een zogeheten bouwenvelop. In dit verband voeren zij aan dat de bouwenvelop niet op één concreet bouwplan ziet en voor herhaalde toepassing vatbaar is, zodat die geen betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Volgens hen had het verzoek om vrijstelling dan ook als een verzoek om herziening van het bestemmingsplan moeten worden aangemerkt.

2.5.1. Uit de stukken in het dossier en hetgeen het college ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat de vrijstellingsprocedure is opgestart naar aanleiding van de bouwenvelop, waarin grofmazig de locatie van het kantoorgebouw en het aantal te realiseren kubieke meters zijn vastgelegd. Gedurende de vrijstellingsprocedure, te weten op 14 maart 2007, heeft Eurocommerce een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het project. Deze aanvraag is uitgebreid gedocumenteerd met bouwtekeningen en andere bescheiden. Bij het besluit van 2 oktober 2007 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het concrete bouwplan waarvoor de aanvraag is ingediend. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het college de vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO kon verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. VastNed en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een nieuwe vrijstellingsprocedure had behoren op te starten, omdat vrijstelling slechts is verleend voor een oppervlakte van 32.000 m2, en een toename van 3.000 m2 niet als een ondergeschikte wijziging kan worden aangemerkt.

2.6.1. Ter zitting is gebleken dat het bruto vloeroppervlak van het te realiseren kantoorgedeelte waarvoor overeenkomstig de bouwaanvraag vrijstelling is verleend, 32.000 m2 bedraagt. Dit is dan ook niet met 3.000 m2 toegenomen, zodat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat een nieuwe vrijstellingsprocedure had moeten worden doorlopen.

Het betoog mist feitelijke grondslag.

2.7. VastNed betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college vrijstelling heeft verleend voor een kantoor zonder publieksgerichte baliefunctie, nu op grond van hetgeen daarover in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen, alsnog een kantoor met baliefunctie op het perceel mag worden gevestigd. Naar het college ter zitting heeft toegelicht, ziet de verleende vrijstelling slechts op het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend. Dit bouwplan heeft betrekking op een kantoor zonder baliefunctie. Op de begane grond is slechts een receptie voorzien. De enkele omstandigheid dat, naar het college te kennen heeft gegeven, in de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld dat op de begane grond van de bebouwing, publieksgerichte functies, zoals balies ten behoeve van de bovengelegen kantoren, denkbaar zijn, maakt dan ook niet dat, zoals VastNed vreest, in de toekomst op grond van de verleende vrijstelling alsnog een baliefunctie kan worden gerealiseerd.

2.8. Het betoog van VastNed en [appellant sub 2] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in het kader van het bouwplan te realiseren aantal parkeerplaatsen onvoldoende is, faalt eveneens. Gelet op de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, opgesteld door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, worden voor kantoren zonder baliefunctie in sterk stedelijk gebied minimaal 0,8 en maximaal 1,5 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak aanbevolen, en in zeer sterk stedelijk gebied minimaal 0,8 en maximaal 1,3. Dit betekent dat voor het bouwplan, dat een oppervlakte heeft van 32.000 m2 ten minste 256 parkeerplaatsen benodigd zijn. In dit verband heeft het college toegelicht dat het, gezien de zeer goede bereikbaarheid van het kantoorgebouw per openbaar vervoer en de centrale ligging ervan in de stad, heeft gekozen voor het minimum van 0,8. Nu de parkeergarage over ongeveer 340 parkeerplaatsen beschikt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het te realiseren aantal parkeerplaatsen voldoende is.

Het betoog faalt.

2.9. VastNed heeft terecht voorgedragen dat de rechtbank in het kader van haar beroepsgronden ten aanzien van de bereikbaarheid van haar naast het bouwplan gelegen kantoor, ten onrechte slechts is ingegaan op de gronden die betrekking hebben op de expeditiezone van haar kantoorgebouw en de daarmee in verband staande bereikbaarheid van de daarbij behorende parkeerplaats, en ten onrechte de beroepsgronden die zien op de algehele verkeerssituatie op de Dellaertweg en de daarop aangesloten wegen, onbesproken heeft gelaten. Het betoog kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit het rapport "Verkeerskundige aspecten met betrekking tot het ingediende verzoek om voorlopige voorziening ex. Artikel 8:81 Awb, hangende het bij de Afdeling aanhangige hoger beroep (2010011882/1/H1)" van 27 januari 2011 van het verkeerskundig adviesbureau Goudappel Coffeng blijkt dat voor de korte termijn de voorgestelde verkeersafwikkeling in het gebied, gelet op de te verwachten verkeersintensiteiten, als goed is te kwalificeren. Voor de lange termijn dient de besluitvorming met betrekking tot de zogeheten RijnGouwelijn te worden afgewacht.

Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van het college dat de algehele verkeerssituatie ter plaatse als gevolg van realisering van het bouwplan niet zodanig zal verslechteren dat het op grond daarvan vrijstelling had dienen te weigeren, voldoende gemotiveerd. Het, niet nader onderbouwde, betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat als gevolg van realisering van het bouwplan in hun wijk niet een onaanvaardbare verkeerssituatie zal ontstaan, slaagt daarom evenmin.

2.10. VastNed betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, door in zijn verklaring van geen bezwaar van 11 september 2007 te kennen te geven dat het niet bevoegd is tot het treffen van verkeerstechnische maatregelen, ten onrechte de verkeersaspecten van het bouwplan niet heeft beoordeeld.

2.10.1. In de brief van 11 september 2007 die het college van gedeputeerde staten VastNed samen met de verklaring van geen bezwaar heeft doen toekomen, heeft het meegedeeld dat het ervan uitgaat dat de problematiek ten aanzien van de verkeersaspecten tussen het college en VastNed op bevredigende wijze zal worden afgehandeld. Gelet hierop, en nu het college van gedeputeerde staten over de ter zake relevante documenten beschikte, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat dat college de verkeersaspecten onder ogen heeft gezien en afdoende heeft betrokken bij de beoordeling of ten behoeve van het project een verklaring van geen bezwaar kon worden verleend. Het betoog faalt daarom.

2.11. Het betoog van VastNed dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in het besluit van 2 oktober 2007 genoemde aanpassing van de Dellaertweg niet voorkomt in de aanvraag om vrijstelling of in de tekeningen en de ruimtelijke onderbouwing die bij de vrijstelling behoren, zodat de vrijstelling geen betrekking heeft op de bedoelde aanpassing, faalt, reeds omdat dit betoog feitelijke grondslag mist.

2.12. VastNed betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet alleen de concentratie van NO2 (hierna: stikstofdioxide) en PM10 (hierna: zwevende deeltjes) had dienen te onderzoeken, maar, gezien de omstandigheid dat het bouwplan voorziet in een aanzienlijke ondergrondse parkeergarage, ook de concentratie van benzeen.

2.13. De Afdeling stelt allereerst vast dat de omstandigheid dat het college in het besluit van 8 april 2008 ten onrechte het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) als toetsingskader heeft gehanteerd, geen reden is tot vernietiging van dit besluit, nu de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes in titel 5.2 van de Wet milieubeheer dezelfde zijn als die golden in het Blk 2005. Ook week de grenswaarde voor benzeen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer ten tijde van het besluit van 8 april 2008 niet af van die welke was opgenomen in het Blk 2005.

2.13.1. In het rapport van 13 februari 2007 dat onderzoeksbureau Peutz bv heeft opgesteld naar aanleiding van het in opdracht van de gemeente Leiden verrichte luchtkwaliteitsonderzoek (hierna: rapport Peutz), wordt vermeld dat andere grenswaarden dan die voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes in het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag ligt, niet nader zijn beschouwd, aangezien op basis van ervaring met een veelvoud aan vergelijkbare situaties van overschrijdingen van grenswaarden/plandrempels uit het Blk 2005, overschrijdingen van andere grenswaarden op voorhand uit te sluiten zijn. Uit het rapport van Adviesburo Nieman B.V. van 18 april 2008 blijkt voorts dat de benzeenconcentratie ten gevolge van de parkeergarage de in de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden niet overschrijdt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met de luchtkwaliteitseisen die zijn neergelegd in de Wet milieubeheer.

Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de concentratie van andere stikstofoxiden (NOx) en van kooldioxide (CO2), treft evenmin doel, nu uit het rapport Peutz blijkt dat andere grenswaarden dan die voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes niet nader behoefden te worden onderzocht, terwijl [appellant sub 2] niet aan de hand van concrete feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie ter plaatse van dien aard is dat het college wel nader onderzoek had behoren te verrichten naar de door hem aangeduide stoffen.

Het betoog faalt.

2.14. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Hoogheemraadschap het bouwplan heeft goedgekeurd, omdat, gelet op de nieuwe Waterwet, de gemeente Leiden verantwoordelijk is voor problemen ten aanzien van grondwater, faalt, nu de Waterwet op 22 december 2009, derhalve na het besluit van 8 april 2008, in werking is getreden en daarom op de onderhavige procedure niet van toepassing is. Voorts heeft [appellant sub 2] niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het verlenen van de vrijstelling de door hem gestelde wateroverlast zal toenemen, zodat de rechtbank in dat betoog terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college de vrijstelling in redelijkheid niet had kunnen verlenen.

2.14.1. Hetgeen [appellant sub 2] voor het overige betoogt, is uitsluitend een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij onder meer gewezen op de door het college gegeven motivering van de verleende vrijstelling en de daaraan ten grondslag liggende rapporten. In hoger beroep heeft [appellant sub 2] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.15. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

457-357-619.