Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201100836/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hogeweg/Pagenlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100836/1/R1.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B] en [appellant C] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Limmen, gemeente Castricum,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hogeweg/Pagenlaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. N. van Offeren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsgroep Limmen Planontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door ing. C.G.M. Pronk, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft een regeling voor een nieuwe woningbouwlocatie in het noorden van Limmen, ten westen van de Rijksstraatweg en ten noorden van de wijk Molenweg-Vinkenbaan. Het plan voorziet in de mogelijkheid van de bouw van 75 woningen.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorie├źn ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 3, eerste lid van bijlage 1 behorende bij de Chw wordt onder ruimtelijke en infrastructurele projecten verstaan ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

2.2.1. Nu het plan voorziet in de mogelijkheid van de bouw van 75 woningen is afdeling 2 van de Chw van toepassing.

2.3. De raad betoogt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift geen gronden bevat.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw) wordt, indien beroep openstaat tegen een besluit waarop afdeling 2, van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is, bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen, en

b. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

In de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen is geen toepassing gegeven aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw.

2.3.2. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.3.3. Vast staat dat in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is. [appellant] is bij brief van de Afdeling van

19 januari 2011 eerst medegedeeld dat het beroep is gericht tegen een besluit dat onder de Chw valt. [appellant] is bij die brief in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 februari 2011 alsnog de gronden van het beroep aan te voeren, van welke gelegenheid [appellant] gebruik heeft gemaakt.

Onder deze omstandigheden moet het beroep geacht worden tijdig van gronden te zijn voorzien, zodat het ontvankelijk is.

2.4. [appellant] stelt dat het akoestisch onderzoek ten onrechte niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage is gelegd en dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het ontwerpplan en de daarbij behorende stukken, waaronder een akoestisch onderzoek, ter inzage hebben gelegen.

2.4.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande, dat in het artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.4.3. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat alle akoestische onderzoeken die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan waren verricht, ook ter inzage gelegen hebben, maar dat zij heeft bedoeld dat in die akoestische onderzoeken de bedrijfssituatie van [appellant] niet is bezien. Gelet hierop faalt het betoog.

2.5. [appellant] betoogt dat door het plan, voor zover dit voorziet in woningbouw binnen de bestaande hindercontouren van haar bedrijfspercelen, de gebruiksmogelijkheden van haar percelen op onaanvaardbare wijze worden beperkt. In dit verband voert zij aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat binnen een afstand van 35 m van haar perceel [locatie] woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Voorts voert zij aan dat door het plan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het inmiddels vastgestelde bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" op onaanvaardbare wijze wordt beperkt.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval kan worden afgeweken van de afstand van 50 m uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

2.5.2. Voor de gronden aan de [locatie] gold ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan het bestemmingsplan "Strandwal", door de raad vastgesteld op 9 oktober 1989 en op 15 mei 1990 goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland. Aan de gronden was in dit bestemmingsplan de bestemming "Bedrijven, categorie A" toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Strandwal", voor zover thans van belang, waren de op de kaart voor "Bedrijven, categorie A" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in de categorie├źn 1 tot en met 3 van de Staat van Inrichtingen opgenomen als bijlage A van deze voorschriften, zulks met uitsluiting van detailhandel en met uitsluiting van de categorie A-inrichtingen Wet geluidhinder opgenomen in bijlage B van deze voorschriften.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, waren de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde gronden voor zover zij daartoe op de kaart waren aangewezen medebestemd overeenkomstig het huidige gebruik: het aannemingsbedrijf [locatie]: voor aannemingsbedrijf als bedoeld in categorie 4 van de Staat van Inrichtingen.

2.5.3. Het plangebied ligt op ongeveer 35 m van de perceelsgrens van het perceel [locatie]. De in de VNG-brochure opgenomen afstanden zijn indicatief en afwijking hiervan is in verband met de specifieke omstandigheden van het betrokken gebied mogelijk, met dien verstande dat een afwijking zorgvuldig dient te zijn voorbereid en gemotiveerd. In de reactie op de zienswijzen is de raad uitgebreid ingegaan op de afwijking van de aanbevolen afstand.

2.5.4. In de eerste plaats heeft de raad de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan van belang geacht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit de Staat van Inrichtingen bij het bestemmingsplan "Strandwal" volgt dat ter plaatse geen inrichtingen zijn toegestaan van een hogere categorie dan thans vallend onder categorie 3.1 van de VNG-brochure, behoudens een visverwerkingsbedrijf dat valt onder categorie 3.2. Voor zover [appellant] wijst op de firma Min die ter plaatse was gevestigd ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Strandwal" en waarvoor de maatbestemming als aannemingsbedrijf was opgenomen, overweegt de Afdeling dat deze firma thans maximaal zou worden aangemerkt als een categorie 3.1-bedrijf met de bijbehorende 50 m afstand. Voor zover [appellant] wijst op [firma] overweegt de Afdeling dat, daargelaten of deze firma legaal aanwezig was, deze thans eveneens maximaal als een categorie 3.1- bedrijf zou worden aangemerkt. Voor categorie 3.1-bedrijven geeft de VNG-brochure geen grotere aanbevolen afstand dan 50 m, zodat de raad terecht van die afstand is uitgegaan.

In de tweede plaats heeft de raad in aanmerking genomen welke bedrijven thans ter plaatse gevestigd zijn. De bedrijven die in de bedrijfshal zijn gevestigd, zijn aan te merken als categorie 2-bedrijven, alsmede een timmerwerkfabriek die een categorie 3.1-bedrijf is als bedoeld in de VNG-brochure.

In de derde plaats heeft de raad in het akoestisch onderzoek het interieurbedrijf, dat ter plaatse niet was toegestaan en dat daar thans ook niet meer is gevestigd, meegenomen. Hierdoor is in het akoestisch onderzoek een categorie 3.2-bedrijf als uitgangspunt genomen. Het akoestisch onderzoek toont, aldus de raad, aan dat de geluidswaarden in het plangebied ook dan niet worden overschreden.

Ten vierde heeft de raad de bestaande situatie in de omgeving bij zijn afweging betrokken. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat reeds op kortere afstand dan het plangebied bestaande woningen aanwezig zijn waarmee reeds rekening moet worden gehouden.

Ten vijfde stelt de raad dat rekening moet worden gehouden met toekomstig beleid. Ten aanzien van het perceel [locatie] wordt geen grootschalige uitbreiding of verzwaring van het bedrijf beoogd. De bestaande situatie is uitgangspunt.

Ten slotte heeft de raad bezien welke maatregelen de gevestigde bedrijven zouden moeten treffen en hoe groot de kans daarop is.

Al het voorgaande in aanmerking genomen heeft de raad geconcludeerd dat het bedrijf aan de [locatie] voldoende ruimte heeft om zijn bedrijfsactiviteiten uit te oefenen alsmede dat eventueel te treffen maatregelen zich niet noodzakelijkerwijs voordoen en financieel beperkt blijven. Tegenover deze motivering heeft [appellant] niets anders gesteld dan dat de raad in haar visie de afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand onvoldoende heeft gemotiveerd. Gelet op de uitgebreide reactie op haar zienswijze ziet de Afdeling daarvoor geen aanleiding. Voorts overweegt de Afdeling dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" zoals dat thans geldt door het voorliggende plan illusoir wordt. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met gemeentelijk beleid. In dit kader voert zij aan dat in het 'Werkdocument Kwaliteitsimpuls Economie Castricum' (hierna: het werkdocument) over de bedrijfshuisvesting onder meer wordt opgemerkt dat met bestaande zonering van bedrijven rekening moet worden gehouden. Nu binnen de hindercontouren van het perceel [locatie] woningbouw mogelijk wordt gemaakt wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de zonering van het perceel. Hierdoor wordt ten onrechte het perceel niet als zodanig bestemd hetgeen in strijd is met dit werkdocument, aldus [appellant].

2.6.1. Nu het perceel [locatie] niet in het voorliggende plan is opgenomen staat reeds hierom vast dat met het voorliggende plan het bedrijventerrein niet is wegbestemd. Voorts overweegt de Afdeling dat uit hetgeen is overwogen in 2.5.4. volgt dat voldoende rekening is gehouden met de zonering van het perceel [locatie].

2.7. Voor zover [appellant] in het beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van de door [appellant B] en [appellant C] ingediende zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

2.8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

410-649.