Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201007254/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Velve-Lindenhof 2005 - herziening 4" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007254/1/R3.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Enschede,

2. de commissie Leefbaarheid en Veiligheid Velve-Lindenhof, gevestigd te Enschede (hierna: de commissie),

3. [appellant sub 3], wonend te Enschede,

4. de stichting Stichting Wijkraad Velve-Lindenhof, gevestigd te Enschede (hierna: de Wijkraad),

5. [appellant sub 5], wonend te Enschede, en anderen,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Velve-Lindenhof 2005 - herziening 4" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2010, de commissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, de Wijkraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2010, en [appellant sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de stichting Tactus Verslavingszorg, gevestigd te Deventer, en de stichting Woningcorporatie Domijn, gevestigd te Enschede, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [appellant sub 1], in persoon, de commissie, vertegenwoordigd door J. Knobbe-Pierens, [appellant sub 3], in persoon, de Wijkraad, vertegenwoordigd door G.H. Ansink, [appellant sub 1] en [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door R. Harmse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn de stichting Tactus Verslavingszorg, vertegenwoordigd door A. Spexgoor en A.F. Oostrik, en de stichting Woningcorporatie Domijn, vertegenwoordigd door R.G.J. Jonker, als partij gehoord.

Ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek geschorst met toepassing van artikel 8:64 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij brief van 26 mei 2011 heeft de raad, op verzoek van de Afdeling, een met het beroep van [appellant sub 1] verband houdend nader stuk ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant sub 1] hierop gereageerd bij brief van 4 juni 2011. Met toestemming van de bij het beroep van [appellant sub 1] betrokken partijen is afgezien van hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van de Wijkraad overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. De Wijkraad heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. De zienswijzen die de bestuursleden van de Wijkraad op persoonlijke titel naar voren hebben gebracht, kunnen niet worden aangemerkt als zienswijze van de Wijkraad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor.

Het beroep van de Wijkraad is niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Hieruit volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

2.2.1. Het beroepschrift van de commissie is ondertekend door de [secretaris] van de commissie. Naar aanleiding van het verzoek aan te tonen dat hij bevoegd is beroep in te stellen heeft de commissie bij brief van 10 september 2010 de statuten van de Wijkraad overgelegd, alsmede een machtiging van 9 september 2010, waarin het bestuur van de Wijkraad [secretaris] machtigt om beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan.

2.2.2. Voor zover moet worden begrepen dat de commissie gelet op voornoemde machtiging in deze procedure moet worden geacht in rechte op te treden namens de Wijkraad, overweegt de Afdeling als volgt. Zo het door de commissie ingestelde beroep op grond van voormelde machtiging al kan worden toegerekend aan de Wijkraad, kan zulks niet leiden tot een ontvankelijk beroep, reeds omdat de commissie op eigen titel zienswijzen heeft ingediend. Voorts is in 2.1. vastgesteld dat de Wijkraad geen zienswijzen heeft ingediend. De commissie kon reeds om deze reden geen ontvankelijk beroep instellen namens de Wijkraad.

2.2.3. Derhalve zal moeten worden beoordeeld of de commissie ten tijde van belang zelf rechtspersoonlijkheid bezat. Vast staat dat de commissie geen bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is en niet over eigen statuten beschikt. De commissie is evenmin een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat de commissie bestaat uit bewoners van de wijk die onder verantwoordelijkheid van de Wijkraad belangen van de wijk behartigen. De commissie beschikt niet over een eigen ledenadministratie of eigen financiële middelen in de vorm van contributie of andere financiële bijdragen. De commissie voldoet derhalve niet aan de in de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008, zaaknr. 200704378/1 genoemde cumulatieve vereisten voor het aannemen van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Voorts woont de ondertekenaar van het beroepschrift niet in de nabijheid van het plangebied. Het beroep van de commissie is niet-ontvankelijk.

2.3. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 B], [appellant sub 5 C], [appellant sub 5 D], [appellant sub 5 E] en [appellant sub 5 F], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ten aanzien van hen geldt hetgeen is overwogen onder 2.1. Ook zij hebben niet aangetoond redelijkerwijs niet in staat te zijn geweest een zienswijze naar voren te brengen tegen het ontwerpplan en zijn niet-ontvankelijk in hun beroep.

2.3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

[appellant sub 5 G], [appellant sub 5 H], [appellante sub 5 I], [appellant sub 5 J], [appellant sub 5 K], [appellant sub 5 L], [appellant sub 5 M], [appellant sub 5 N], [appellant sub 5 O] en [appellant sub 5 P], die eveneens behoren tot de groep personen die samen met [appellant sub 5] beroep hebben ingesteld, wonen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 5 G], [appellant sub 5 H], [appellante sub 5 I], [appellant sub 5 J], [appellant sub 5 K], [appellant sub 5 L], [appellant sub 5 M], [appellant sub 5 N], [appellant sub 5 O] en [appellant sub 5 P] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen.

2.3.2. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 5 G], [appellant sub 5 H], [appellante sub 5 I], [appellant sub 5 J], [appellant sub 5 K], [appellant sub 5 L], [appellant sub 5 M], [appellant sub 5 N], [appellant sub 5 O] en [appellant sub 5 P] is niet-ontvankelijk.

Voor zover hierna wordt gesproken over [appellant sub 5] en anderen, worden evengenoemde personen en de personen genoemd in 2.3 daaronder niet mede begrepen.

Procedurele bezwaren

2.4. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat begin 2008 een te beperkte groep is aangeschreven om te participeren bij inspraak op het ontwerpplan. Bovendien is misleidende en onjuiste informatie over het aantal wooneenheden en de toekomstige bewoners verschaft. Het besluit van het gemeentebestuur stond al vast en van echte inspraak is dus geen sprake geweest. Toenmalige ministers Vogelaar en Van der Laan hebben de slechte communicatie door het gemeentebestuur bekritiseerd.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge de Wro de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aanvangt met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro geregelde procedure, kan het bezwaar dat fouten zouden zijn gemaakt in de fase van inspraak in het plan, geen gevolgen met zich brengen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten. Het betoog faalt derhalve.

2.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen dat de nota beantwoording zienswijzen in de vakantie is verstuurd naar de indieners van zienswijzen en dat zij hierdoor niet goed hebben kunnen reageren, overweegt de Afdeling dat noch uit de Wro of de Awb, noch enige andere wettelijke bepaling de verplichting voortvloeit de reactie op de zienswijzen toe te zenden aan degenen die een zienswijze hebben ingediend om hen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Niet is gebleken dat de in de Wro vervatte procedure onjuist is verlopen. Het betoog faalt.

Materiële bezwaren

2.6. Het plan maakt de verbouwing van de Oosterkerk tot een woongebouw mogelijk. Ook voorziet het plan in de bouw van een nieuw wooncomplex ten zuidoosten van de voormalige kerk.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat het beoogde gebruik van de Oosterkerk en het nieuw te bouwen complex als opvang van ex-verslaafden niet verenigbaar is met de toegekende bestemming "Wonen" omdat sprake is van een zorginstelling. Zij voeren hiertoe aan dat er in het complex huisregels gaan gelden die diefstal en dealen verbieden en bij overtreding waarvan overplaatsing zal volgen. Daarnaast zal er een bezoekregeling, 24-uursbegeleidings, een avondklok, verpleging op afroep en een sleutelregeling zijn. Voor medisch personeel is een parkeerplaats gereserveerd.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen vrezen verder overlast van de toekomstige bewoners vanwege de achtergrond van deze bewoners en de omgeving waarin het complex zal staan. In de wijk spelen al veel problemen, net als in andere wijken die wel buiten beschouwing zijn gelaten bij het zoeken naar een locatie voor een opvang als de onderhavige. Dat er in het complex huisregels moeten worden gesteld, bevestigt de vrees voor overlast. Een bewoner zal pas na overtreding van de huisregels worden overgeplaatst als de overlast al een feit is.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen betogen verder dat een door omwonenden voorgesteld alternatief gebruik van de Oosterkerk als instelling voor zelfstandig wonende ouderen, eventueel in combinatie met een seniorenontmoetingsplaats en een plaats voor jongerenactiviteiten, onvoldoende is meegewogen bij de vaststelling van het plan.

[appellant sub 3] voegt hier aan toe dat de keuze voor het complex op deze locatie in strijd is met de door het gemeentebestuur gehanteerde locatiecriteria, zoals vervat in de nota "van opvang naar wonen" (hierna: de nota), nu in de buurt veel voorzieningen, zoals een basisschool en een peuteropvang, aanwezig zijn. Elders in de buurt is een locatie beschikbaar die niet in strijd is met de nota, aldus [appellant sub 3]. Dat deze andere locatie niet haalbaar is vanwege de financiële middelen die al in de Oosterkerk zijn geïnvesteerd, is geen deugdelijke motivering van de keuze. De aangekochte panden kunnen immers worden verkocht.

2.7.1. Aan de gronden in het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de desbetreffende gronden bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis.

Onder een woning wordt ingevolge artikel 1.51 van de planregels verstaan: een gebouw of gedeelte daarvan, dat door zijn indeling en inrichting uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.7.2. Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is het de bedoeling om in het complex 17 zelfstandige appartementen met elk een eigen afsluitbare voordeur te realiseren voor de opvang van ex-verslaafden. De wooneenheden zullen beschikken over eigen kookgelegenheid, een natte cel, een slaapvertrek en een woonkamer. Het is niet de bedoeling om ter plaatse behandelruimtes te realiseren. Niet aannemelijk is gemaakt dat de beoogde bewoners, die succesvol een behandelprogramma hebben afgerond, slechts met behulp van voortdurend aanwezige begeleiding in staat zullen zijn om zelfstandig in de woning te verblijven. Nu de nadruk in het wooncomplex aldus op zelfstandig wonen ligt en niet op begeleiding, kan de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen dat onterecht de bestemming "Wonen" is toegekend aan het plangebied, niet volgen. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen tegen de concrete bouwplannen voor het plangebied wensen op te komen, deze thans niet aan de orde kunnen komen, maar in de procedure voor verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen.

Ten aanzien van de gevreesde overlast overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, gelet op de toegekende woonbestemming, niet zal leiden tot onevenredige overlast voor omwonenden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat eventuele overlast zo nodig in het kader van de handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan. Blijkens de stukken, waaronder de zienswijzennota, zullen maatregelen worden genomen om mogelijke overlast te beperken en het plan staat hieraan niet in de weg. Zo heeft Tactus huisregels opgesteld waaraan de toekomstige bewoners zich moeten houden op straffe van uitzetting uit de woning. Ook zal met een omgevingsbeheergroep van omwonenden worden samengewerkt om eventuele overlast tegen te gaan.

Met betrekking tot het door [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen gewenste alternatieve gebruik van de Oosterkerk en de door [appellant sub 3] gewenste andere locatie, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van een plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in de afweging te worden meegenomen. De raad heeft de locatie aan de hand van de door [appellant sub 3] aangehaalde locatiecriteria uit de nota beoordeeld en gemotiveerd aangegeven dat de locatie daaraan voldoet. Niet aannemelijk is gemaakt dat door de aanwezigheid van de door [appellant sub 3] aangevoerde voorzieningen in de omgeving , niet aan de criteria wordt voldaan. Bij de keuze van de locatie heeft de raad in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan de spreiding van dergelijke voorzieningen over de stad en de financiële mogelijkheden. De raad heeft voorts een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van het te realiseren complex, dan aan de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen bij het door hen gewenste alternatieve gebruik van de Oosterkerk. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieven onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Gelet op de in het plan gegeven woonbestemming, wordt overwogen dat het betoog van [appellant sub 3], inhoudende dat in de publicaties een onjuiste omschrijving is gegeven van het plan, faalt.

De betogen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen, falen.

2.8. Voor zover [appellant sub 1] heeft bedoeld te betogen dat de wijze waarop de raad zijn naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb overweegt de Afdeling dat die bepaling zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.9. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat de uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat nu met eventuele vergoedingen voor planschade onvoldoende rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan, is van belang dat Domijn en de gemeente Enschede een overeenkomst hebben gesloten zoals bedoeld in artikel 6.4a, eerste lid, van de Wro. Gelet op de in het voorheen geldende en huidige plan toegekende bestemmingen aan het plangebied, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijke waardevermindering van de woningen zodanig zal zijn, dat het plan reeds daardoor financieel niet uitvoerbaar zal blijken te zijn. Het betoog faalt.

2.10. Verder vrezen [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen dat zij de door waardevermindering van hun woningen geleden planschade niet vergoed krijgen omdat het gemeentebestuur reeds heeft aangegeven dat de kans hierop nihil is.

2.10.1. Wat de nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die mogelijke waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Voor eventuele vergoeding van planschade bestaat bovendien een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

2.11. Hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.12. [appellant sub 1] stelt ten slotte dat in de schuur in het plangebied een steenmarter en in het kerkgebouw vleermuizen verblijven. De raad heeft volgens [appellant sub 1] in het kader van de Flora en faunawet (hierna: Ffw) onvoldoende onderzocht in hoeverre de vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter en vleermuizen met de bouw worden verstoord of beschadigd.

2.12.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet behoort vast te stellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In de Quickscan flora en fauna van 28 april 2010 (hierna: de Quickscan) is ten aanzien van vleermuizen in het kerkgebouw weliswaar aanvullend onderzoek aanbevolen, waarbij aannemelijk is dat daaruit beperkingen ten aanzien van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden kunnen voortvloeien, maar evenzeer is aannemelijk dat, waar de buitenzijde van het bestaande kerkgebouw grotendeels intact zal blijven, de verbouwing in zoverre uitvoerbaar zal blijken te zijn.

In de Quickscan is ten aanzien van de steenmarter aanvullend onderzoek aanbevolen om vast te stellen of een steenmarter van het plangebied gebruik maakt als vaste rust- of verblijfplaats. In dat geval dient de functionaliteit van het verblijf behouden te blijven of is een ontheffing noodzakelijk.

Nu dit aanvullend onderzoek ontbreekt, kon de raad er niet bij voorbaat van uitgaan dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De raad heeft in zoverre gehandeld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.12.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.12.3. De Afdeling ziet aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daartoe wordt overwogen dat Econsultancy nader ecologisch onderzoek heeft verricht, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een rapport van 8 november 2010. Bij het ten behoeve van het rapport verrichte veldonderzoek is de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van de steenmarter in een schuur in het plangebied vastgesteld. Verder zijn in het rapport maatregelen aangegeven, bij uitvoering waarvan overtreding van de Ffw naar verwachting kan worden voorkomen. Voor zover [appellant sub 1] in reactie op dit rapport heeft betoogd dat aan deze voorwaarden reeds bij de vaststelling van het plan moest zijn voldaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.12.1. en overweegt dat, nu volgens het rapport naar verwachting aan de voorwaarden kan worden voldaan, aannemelijk is dat de Ffw niet aan uitvoering van het plan in de weg staat.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.13. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het overige bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de commissie Leefbaarheid en Veiligheid Velve-Lindenhof, de stichting Stichting Wijkraad Velve-Lindenhof en [appellant sub 5] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 5 A], [appellant sub 5 B], [appellant sub 5 C], [appellant sub 5 D], [appellant sub 5 E], [appellant sub 5 F], [appellant sub 5 G], [appellant sub 5 H], [appellante sub 5 I], [appellant sub 5 J], [appellant sub 5 K], [appellant sub 5 L], [appellant sub 5 M], [appellant sub 5 N], [appellant sub 5 O] en [appellant sub 5 P] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Enschede van 5 juli 2010 waarbij het bestemmingsplan "Velve-Lindenhof 2005 - herziening 4" is vastgesteld;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderen, voor zover niet genoemd onder I., ongegrond;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Haaksbergen aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

45-715