Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201010082/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2010, kenmerk 2010-003707, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Doesburg (hierna: de raad) bij besluit van 28 januari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Beinum" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010082/1/R2.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], beide gevestigd te Doesburg,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2010, kenmerk 2010-003707, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Doesburg (hierna: de raad) bij besluit van 28 januari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Beinum" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2010, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2011, waar [appellante A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door drs. A.J.A. Putker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het bedrijventerrein Beinum in Doesburg. Bij het bestreden besluit heeft het college goedkeuring verleend aan het plan.

2.3. [appellante A] en [appellant B] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "BT" ('Bedrijventerrein') voor hun gronden aan de [locatie A] en [locatie B] en voeren hiertoe aan dat hun bedrijfswoningen ten onrechte niet zijn bestemd als burgerwoning. Zij stellen dat de toegekende bestemming voor hen tot een financieel ongunstige situatie zal leiden. Voorts wijzen zij erop dat het college eerder heeft gesteld dat functiemenging op het bedrijventerrein mogelijk is mits de op het bedrijventerrein aanwezige bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Tevens betogen [appellante A] en [appellant B] dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld en wijzen zij er in dit kader op dat aan een aantal woningen en woonwagens ten onrechte een persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend.

2.4. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de woningen van [appellante A] en [appellant B] op goede gronden als bedrijfswoning zijn bestemd.

2.5. Blijkens de stukken waaronder de plantoelichting, acht het college in navolging van de raad vermenging van de werkfunctie van het bedrijventerrein Beinum met een hindergevoelige woonfunctie onwenselijk, omdat hierdoor de mogelijkheden voor het uitvoeren van een bedrijfsmatige activiteit ter plaatse worden beperkt. Voorts is het gemeentelijke beleid erop gericht te voorkomen dat bedrijfswoningen naar burgerwoningen worden omgezet, nu een dergelijke omzetting onttrekkingen van ruimte aan de reeds krappe voorraad bedrijventerrein van de gemeente met zich brengt.

In hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd heeft het college in navolging van de raad geen aanleiding behoeven te zien om af te wijken van genoemde gemeentelijke uitgangspunten. De Afdeling betrekt hierbij dat de woningen van [appellante A] en [appellant B] niet in gebruik zijn als burgerwoning en dat ook het voorheen geldende plan ter plaatse geen burgerwoningen toestond. Voorts is hierbij van belang dat, vanwege de vrees voor klachten en de toetsing aan milieuvergunningen, het college zich met de raad in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat functiemenging tot beperkingen voor de aanwezige bedrijven op het terrein zal kunnen leiden.

2.6. Ten aanzien van de door [appellante A] en [appellant B] gemaakte vergelijking met een aantal woonwagens overweegt de Afdeling dat aan deze woonwagens in het plan de bestemming "BT"(bedrijventerrein) is toegekend met de nadere aanduiding "ww"(woonwagen). Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften komt de begripsbepaling van een woonwagen voor zover hier van belang, echter overeen met die van een dienstwoning, zodat het gebruik als burgerwoning daarmee eveneens in strijd is.

Ten aanzien van de door [appellante A] en [appellant B] gemaakte vergelijking met een aantal andere bedrijfswoningen op het bedrijventerrein waaraan persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend, wordt overwogen dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situaties omdat in die gevallen de woningen ten tijde van het peilmoment in gebruik waren als burgerwoning. [appellante A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college en de raad van een onjuist peilmoment zijn uitgegaan.

In hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante A] en [appellant B] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situaties.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

425-704.