Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201006616/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwestpoort: uitbreiding bedrijventerrein Ugchelen-herinrichting bosgebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006616/1/M3.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Ugchelen, gemeente Apeldoorn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwestpoort: uitbreiding bedrijventerrein Ugchelen-herinrichting bosgebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door A.A.J. Boogmans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein Ugchelen en in een herinrichting van het naastgelegen bosgebied. Met het bestemmingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de realisatie van het groen/blauwe raamwerk dat binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid voor de Zuidwestpoort samen met een ander raamwerk de samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur vormgeeft.

2.2. In het bestemmingsplan is voor een deel van de aan [appellant] en anderen in eigendom toebehorende gronden de bestemming "Natuur" toegekend. Op grond van artikel 6.1 van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, bescherming, aanleg en versterking van het bos en de natuur- en cultuurhistorische waarden;

b. recreatief medegebruik (wandelen, fietsen, verblijfsplekken zoals picknickplaatsen);

c. water, waaronder beken, sprengen en poelen,

met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en voorzieningen.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte aan de aan hen in eigendom toebehorende gronden de bestemming "Natuur" is toegekend. In dit verband voeren zij aan dat deze gronden momenteel niet in gebruik zijn ten behoeve van een natuurbestemming maar als erf en tuin dan wel opslagterrein. Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat de gronden geen natuurgebied zijn. Het aanwezige natuurgebied is volgens [appellant] en anderen namelijk niet origineel ontstaan, aangezien de voormalige agrarische gronden in het verleden zijn aangeplant. [appellant] en anderen voeren ten slotte aan dat het niet aannemelijk is dat de openbare functie die door de gegeven bestemming "Natuur" aan de gronden wordt toegekend gedurende de planperiode realiseerbaar is. [appellant] en anderen hebben namelijk aangegeven de gronden niet als openbaar gebied ter beschikking te stellen en de gemeente Apeldoorn heeft aangegeven op geen enkele wijze bereid te zijn om deze gronden te verwerven.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Bos", die ingevolge het vorige bestemmingsplan "Werkgebied Brouwersmolen" op de gronden van [appellant] ligt, overeenkomstig de actuele inzichten en werkwijze van bestemmen en gelet op de feitelijk bestaande situatie, met het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan wordt herzien in de bestemming "Natuur". Een belangrijk uitgangspunt is hierbij volgens de raad het geldend recht geweest. Volgens de raad richt de bestemming "Bos" zich primair op een gebruik als en instandhouding van bos, maar valt volgens algemeen geldende opvattingen onder deze bestemming ook recreatief medegebruik. Dit geldend recht is in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen en geƫxpliciteerd. Dit betekent volgens de raad dat het toegestane gebruik van de desbetreffende gronden met de nieuwe bestemming "Natuur" niet wordt ingeperkt ten opzichte van de vorige bestemming "Bos". De bestemming "Natuur" verplicht volgens de raad op geen enkele wijze een openbaarstelling van de betreffende gronden door [appellant] en anderen. Gelet op de bestaande situatie wordt door de raad een natuurbestemming het meest passend geacht, nu de gronden overwegend uit bos bestaan en als zodanig direct aansluiten aan dan wel deel uitmaken van het direct aangrenzende bosgebied.

2.3.2. Niet in geschil is dat de vorige bestemming op de betreffende gronden "Bos" is. De Afdeling stelt voorop dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in het aan de orde zijnde bestemmingsplan de bestemming "Bos" vervangen door de bestemming "Natuur". De Afdeling is van oordeel dat uit artikel 6.1 van de planregels volgt dat het onder de bestemming "Natuur" toegestane recreatief medegebruik niet verplicht tot openstelling van het terrein. Bij het bestemmen van gronden in een bestemmingsplan gaat het immers om toelatingsplanologie. Dit betekent dat niet vereist is dat de voor "Natuur" aangewezen gronden van [appellant] en anderen als openbaar gebied ter beschikking worden gesteld. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid aan de aan [appellant] en anderen in eigendom toebehorende gronden de bestemming "Natuur" kunnen toekennen.

2.4. [appellant] en anderen stellen dat er bij de bestemming "Natuur" een spanningsveld bestaat tussen enerzijds het behoud, bescherming, aanleg en versterking van het bos en de natuur- en cultuurhistorische waarden, zoals vastgelegd in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, en anderzijds het toegestane recreatief medegebruik, zoals vastgelegd in artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels.

2.4.1. De raad betoogt dat de regels van de bestemming "Natuur" gebaseerd zijn op actuele standaardregels zoals deze toegepast worden in Apeldoorn. Deze standaardregels laten overeenkomstig de actuele inzichten binnen bestemmingen zoals "Natuur" extensieve vormen van recreatief medegebruik toe. Volgens de raad is recreatief medegebruik een algemeen voorkomende activiteit binnen een bestemming als "Natuur" die goed mogelijk is zonder dat afbreuk wordt gedaan aan behoud van natuur. De opgenomen aanlegvergunningplicht voor de aanleg en het verharden van onder andere wandel- en fietspaden en de zeer beperkte bebouwingsmogelijkheden ondersteunen dit, aldus de raad.

2.4.2. Uit artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat uitsluitend extensieve vormen van recreatief medegebruik op de voor "Natuur" aangewezen gronden zijn toegestaan. Het is niet aannemelijk dat door deze vorm van recreatief medegebruik de voor "Natuur" aangewezen gronden zodanig worden aangetast dat een innerlijke tegenstrijdigheid ontstaat met de in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels aan deze gronden gegeven bestemming (behoud, bescherming, aanleg en versterking van het bos en de natuur- en cultuurhistorische waarden). Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de in artikel 6.1, aanhef en onder a en b, van de planregels opgenomen doeleindenomschrijving voor de voor "Natuur" aangewezen gronden kunnen toekennen.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat de raad in het bestemmingsplan ten onrechte geen woonbestemmingen met bouwvlakken heeft toegekend op de aan [appellant] en anderen in eigendom toebehorende gronden tussen de bestaande woningen aan de Ugchelsegrensweg. In dit verband voeren zij aan zich te verbazen over het feit dat de raad het in het bestemmingsplan wel mogelijk maakt een deel van het bestaande bosgebied om te zetten in een bedrijvenbestemming, maar de invulling van een tweetal door hen gewenste woonbestemmingen tussen bestaande woningen planologisch niet toestaat. Daarnaast voeren zij aan dat het standpunt van de raad dat door het toekennen van woonbestemmingen met bouwvlakken op de door [appellant] en anderen gewenste locaties het openbaar karakter en de entree tot het natuur/recreatiegebied wordt belemmerd niet opgaat. Volgens [appellant] en anderen zijn er namelijk al woningen ter plaatse aanwezig, waarbij een tussen die bebouwing gelegen open terrein verder bebouwd zal kunnen worden. Vrij uitzicht vanuit Ugchelen op het bos is er volgens hen ook nu niet meer. Ook is er binnen het plangebied gedeeltelijk gelegen achter en naast de desbetreffende gronden in het bosgebied een sportterrein aanwezig. Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat wel woningbouw mogelijk wordt gemaakt in het voorontwerp van het bestemmingplan "Wegenerterrein" aan dezelfde zijde van de Ugchelsegrensweg. Het gaat hierbij, anders dan bij de locatie waarop woningbouw door [appellant] en anderen is gewenst, om een solitair gelegen locatie in een onbebouwde omgeving.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant] en anderen gewenste woningbouw niet past binnen de voorgestane ruimtelijke structuur van het gebied, zoals opgenomen in het groen/blauwe raamwerk. Belangrijk onderdeel van de realisatie van het groen/blauwe raamwerk is volgens de raad het opwaarderen van het bosgebied langs de Ugchelsegrensweg en de Ugchelseweg. De ruimtelijke kwaliteit, relatie en waarde met het bosgebied met en voor het dorp Ugchelen zal daarmee volgens de raad worden versterkt. Het toevoegen van woningen in dit deel van het bosgebied zal volgens de raad juist afbreuk doen aan deze relatie en waarde, omdat de bebouwing het bosgebied als het ware uit het zicht laat verdwijnen. De aanwezigheid van een tenniscomplex in het plangebied vormt voor de raad geen aanleiding om extra bebouwing toe te staan.

Volgens de raad past de eenmalige uitbreiding van het bedrijfsterrein Ugchelen met 1,4 hectare wel binnen de voorgestane ruimtelijke structuur van het gebied, omdat aangesloten wordt op een reeds bestaand, binnen het stedelijk gebied van Apeldoorn gesitueerd, bedrijfsterrein. Op deze manier wordt volgens de raad ruimte geboden voor economische ontwikkelingen die op een zorgvuldige wijze worden ingepast.

De raad brengt verder naar voren dat de locatie van het door [appellant] en anderen aangehaalde woningbouwplan, Europaweg-Ugchelsegrensweg, binnen de ruimtelijke structuur van het gebied niet vergelijkbaar is met de gronden van [appellant] en anderen. Die locatie ligt direct nabij de Europaweg en direct aan een open gebied. Met de woningbouw wordt volgens de raad, binnen de kaders van de visie voor de Zuidwestpoort, een hoogwaardige en goed herkenbare entree van Ugchelen in de vorm van vijftien vrijstaande woningen gerealiseerd, waarmee het plan bijdraagt aan de beoogde verbetering van de ruimtelijke structuur.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat het aan de raad is om op basis van planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen bestemmingen voor gronden vast te stellen. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat het toekennen van woonbestemmingen met bouwvlakken op de door [appellant] en anderen gewenste locatie aan de Ugchelsegrensweg planologisch niet aanvaardbaar is. Dat het bedrijfsterrein Ugchelen wordt uitgebreid en dat het voorontwerp van het bestemmingplan "Wegenerterrein" aan dezelfde zijde van de Ugchelsegrensweg wel strekt tot het toestaan van woningbouw, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft gemotiveerd de planologische aanvaardbaarheid van de uitbreiding van het bedrijfsterrein uiteengezet in relatie tot de door [appellant] en anderen gewenste woningbouw die de raad niet gewenst vindt. Voorts heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat het woningbouwplan aan de Europaweg-Ugchelsegrensweg binnen de ruimtelijke structuur van het gebied een geheel andere situatie vormt dan de door [appellant] en anderen gewenste woningbouwlocatie.

2.6. De conclusie is dat de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

159-678.