Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3211

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201011228/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur aan de [locatie] te Amersfoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011228/1/H1.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 13 oktober 2010 in zaak nr. 09/1046 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur aan de [locatie] te Amersfoort.

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een schuur met een oppervlakte van 22,75 m2 en een hoogte van vier meter in de achtertuin van de woning op het adres [locatie]. De woning is een rijksmonument, gelegen in het beschermd stadsgezicht "Bergkwartier".

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "De Berg 2003" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Het is gelegen in het gebied dat op de plankaart is aangeduid als "beschermd stadsgezicht".

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften mogen - voor zover thans van belang - op de gronden die als "Woondoeleinden" zijn aangewezen uitsluitend woningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, onder c, gelden, voor zover thans van belang, voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen de volgende bepalingen:

- de goot- en/of boeiboordhoogte van aan- of bijgebouwen mag niet meer bedragen dan drie meter of de hoogte van de eerste bouwlaag voor zover die groter is;

- de gezamenlijke oppervlakte van aan- en bijgebouwen mag bij elke woning niet meer bedragen dan 15% van het bij de woning behorende kadastrale perceel, met een maximum van 75 m2.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, geldt het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen en in bijlage 2 bij de planvoorschriften niet als rechtstreeks toetsingskader voor bouwvergunningen en de voorschriften betreffende het gebruik, maar wordt het door het gemeentebestuur betrokken bij onder meer het kunnen stellen van nadere eisen.

In het tweede lid, onder b, is in hoofdlijnen de ruimtelijke kwaliteit van het beschermd stadsgezicht beschreven met de nadere typering van de te beschermen waarden. Daarbij is vermeld dat de waardevolle hoofdkenmerken van het Bergkwartier worden gevormd door het villapark in de laat negentiende-eeuwse gemengde landschapsstijl; de homogeniteit in bouwstijl, maat en schaal van de twintigste-eeuwse villabebouwing en de variatie in de groenstructuur. Een zevental nader genoemde aspecten zijn daarbij typerend.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats, afmetingen, vorm en toe te passen bouwmaterialen van gebouwen en andere bouwwerken, voor zover nodig voor het behoud en herstel van de waarden zoals omschreven in artikel 4, tweede lid, onder b en c en ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Bijlage 2 bevat de omschrijving van de te beschermen waarden van de op de plankaart als "beschermd stadsgezicht" aangeduide gronden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college voor zijn oordeel dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet niet mocht afgaan op het welstandsadvies, nu het bouwplan niet aan een eerder welstandsadvies is aangepast.

2.3.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

Ingevolge die bepaling stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels, waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1; www.raadvanstate.nl), mogen burgemeester en wethouders, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat zij dit niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook die omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van burgemeester en wethouders in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan door beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.3.3. De welstandscommissie heeft in een advies van 20 augustus 2008 te kennen gegeven dat, hoewel zij eerst had verzocht om de bebouwing beter af te stemmen op de omliggende bebouwing, het bouwplan bij nadere bestudering van het ontwerp goed aansluit op de omgeving. In dit advies heeft zij voorts gemotiveerd, waarom het bouwplan naar haar oordeel wat betreft maatvoering, vormgeving, en materiaal-/en kleurgebruik aan redelijke eisen van welstand voldoet.

Op 3 december 2008 heeft de welstandscommissie dit advies bevestigd. [appellant] heeft geen bericht overgelegd van een deskundig persoon of instantie, waarmee deze adviezen werden bestreden. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is zijn eigen opvatting daarvoor onvoldoende. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voor het eerst in hoger beroep dat voor het bouwplan reguliere bouwvergunning is vereist vanwege de ligging in een beschermd stadsgezicht.

2.4.1. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] niet heeft gesteld dat en waarom hij dat niet kon doen, leidt het betoog niet tot het daarmee beoogde resultaat.

2.5. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd, omdat een monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend. Slechts het complex woningen aan de Schaepmanlaan 2-16/ Borgesiuslaan 34 is als rijksmonument aangewezen, niet de bijbehorende tuinen.

2.6. [appellant] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat voor de Frisiabuurt een bijzondere bebouwingsregeling in het bestemmingsplan is opgenomen die inhoudt dat in het gebied bouwplannen zowel door de rijksmonumentendienst, de gemeentelijke monumentendienst, als de welstandscommissie beoordeeld moeten worden. In de planvoorschriften is een dergelijke bepaling niet opgenomen.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet krachtens artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 4 van de planvoorschriften, nadere eisen heeft gesteld.

2.7.1. Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen voor zover nodig voor het behoud en herstel van de waarden zoals omschreven in artikel 4, tweede lid, onder b en ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. De rechtbank heeft, gelet op de positieve adviezen van de welstandscommissie en van de afdeling monumentenzorg, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte geen nadere eisen heeft gesteld vanwege het behoud en herstel van die waarden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel door de situering van de schuur worden beperkt.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

17-702.