Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201007705/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een geiten- en zoogkoeienhouderij op het perceel [locatie] te Ambt Delden. Dit besluit is op 8 juli 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/6117 met annotatie van H.P. Nijhoff
Milieurecht Totaal 2012/5692
JOM 2011/619
JM 2011/95 met annotatie van Van Velsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007705/1/M2.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een geiten- en zoogkoeienhouderij op het perceel [locatie] te Ambt Delden. Dit besluit is op 8 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 september 2010 en bij brief van 6 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. M.G.B. Kamst en W. Holsbrink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Het college stelt dat een aantal appellanten, gelet op de afstand tussen hun woningen en de inrichting, geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend voor een inrichting, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

2.2.2. [appellant A] en [appellante B], [appellante C] en [appellante D], [appellante E] en [appellante F], [appellante G] en [appellante H] en [appellante I] en [appellante J], behorend tot [appellant] en anderen, wonen op een zodanige afstand van de inrichting dat het gezien de aard en omvang van de inrichting niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen daarvan milieugevolgen kunnen worden ondervonden. Gelet hierop is het beroep van [appellant] en anderen, voor zover het is ingesteld door voornoemde personen, niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant] en anderen stellen dat het bestreden besluit onbevoegd genomen is omdat H. Roosink niet gemachtigd was.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 10:1 van de Awb wordt onder mandaat verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.

Ingevolge artikel 10:3 kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

2.3.2. Ingevolge het Mandaatbesluit gemeente Hof van Twente is de afdelingsmanager van de Afdeling Vergunningen en handhaving gemandateerd om te beslissen op aanvragen om vergunningen in de zin van de Wet milieubeheer. Het college stelt terecht dat H. Roosink als afdelingsmanager van voormelde afdeling bevoegd was om namens het college het bestreden besluit te nemen. De beroepsgrond faalt.

2.4. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 3.000 geiten ouder dan 1 jaar, 2.200 opfokgeiten van 61 dagen tot en met 1 jaar, 450 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen en 5 zoogkoeien.

2.5. [appellant] en anderen stellen dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt of een milieu-effectrapport moet worden opgesteld (hierna: mer-beoordeling). Zij stellen dat de enkele omstandigheid dat het houden van geiten niet in het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals dat luidde vóór 1 april 2011 (hierna: Besluit mer (oud)), staat vermeld als activiteit waarvoor een mer-beoordeling moet worden gemaakt, niet betekent dat een dergelijke beoordeling niet gemaakt hoeft te worden. Uit Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (hierna: Richtlijn 85/337/EEG) volgt dat voor het houden van geiten een mer-beoordeling moet worden gemaakt, aldus [appellant] en anderen.

2.5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 85/337/EEG treffen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning is vereist voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, bepalen de lidstaten onder voorbehoud van artikel 2, derde lid, voor de in bijlage II genoemde projecten:

a) door middel van een onderzoek per geval, of

b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,

of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit mer (oud) zijn in categorie 14 als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 60.000 of meer plaatsen voor mesthoenders, 45.000 of meer plaatsen voor hennen, 2.200 of meer plaatsen voor mestvarkens, of 350 of meer plaatsen voor zeugen.

2.5.2. In bijlage II, onder 1e, van Richtlijn 85/337/EEG zijn intensieve veeteeltbedrijven aangemerkt als projecten waarvoor een mer-beoordeling moet worden gemaakt. De onder 1e in bijlage II genoemde projecten zijn geïmplementeerd in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (oud). Deze categorie ziet slechts op pluimvee- en varkenshouderijen.

Aangevraagd is een vergunning voor onder meer het houden van in totaal 5.650 geiten. In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (oud) is het houden van geiten niet aangewezen als activiteit waarvoor een mer-beoordeling moet worden gemaakt.

Richtlijn 85/337/EEG geeft evenwel geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de term intensieve veeteeltbedrijven in bijlage II, onder 1e, slechts ziet op pluimvee- en varkenshouderijen. Bij de wijziging van Richtlijn 85/337/EEG bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 zijn de tot dan in bijlage II, onder 1e en onder 1f genoemde bedrijven met stalruimte voor pluimvee en varkens vervangen door intensieve veeteeltbedrijven. In haar rapport "interpretation of definitions of certain project categories of annex I and II of the EIA Directive" van 2008, kenmerk 2008-022, is de Europese Commissie ingegaan op de interpretatie van de omschrijvingen van een aantal in bijlage I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten. Ten aanzien van projecten als bedoeld in bijlage II, onder 1e, vermeldt dat rapport, onder verwijzing naar de wijziging 3 maart 1997 van Richtlijn 85/337/EEG, dat het niet de bedoeling is geweest de reikwijdte van die projecten te beperken tot het houden van pluimvee en varkens.

2.5.3. Hieruit volgt dat voor zover een inrichting voor het houden van geiten als intensief veeteeltbedrijf moet worden aangemerkt, dient te worden beoordeeld of een mer-beoordeling moet worden gemaakt. Het college heeft niet onderzocht of de bij het bestreden besluit vergunde geitenhouderij moet worden aangemerkt als een intensief veeteeltbedrijf in de zin van bijlage II, onder 1e, van Richtlijn 85/337/EEG. Gelet hierop kon het college niet zonder meer aannemen dat voor de bij het bestreden besluit vergunde inrichting geen mer-beoordeling behoefde te worden gemaakt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant A], [appellante B], [appellante C], [appellante D], [appellante E], [appellante F], [appellante G], [appellante H], [appellante I] en [appellante J];

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 15 juni 2010, kenmerk MPM 6641;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 919,51 (zegge: negenhonderdnegentien euro en eenenvijftig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

492.