Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201103963/2/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP6059
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 45 appartementen en één grondgebonden woning met parkeergelegenheid op het perceel gelegen op de hoek van de Steenstraat en de Carmelietenstraat-Oost te Boxmeer (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103963/2/H1.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

2. [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats],

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 februari 2011 in zaken nrs. 10/482, 10/2510,10/2522,10/2516 en 10/2519 in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging van Eigenaars de Slenk",

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "O.D.C. B.V.", beide gevestigd te Boxmeer (hierna tezamen en in enkelvoud: de vereniging),

[wederpartij A], wonend te Boxmeer,

[wederpartij B], wonend te Boxmeer,

Het Omgevingspanel Steenstraat-Zuid (hierna: het omgevingspanel), gevestigd te Boxmeer,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 45 appartementen en één grondgebonden woning met parkeergelegenheid op het perceel gelegen op de hoek van de Steenstraat en de Carmelietenstraat-Oost te Boxmeer (hierna: het project).

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de door de vereniging en [wederpartij A] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 23 december 2008 herroepen.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de realisering van het project.

Bij uitspraak van 24 februari 2011, verzonden op 25 februari 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door de vereniging en [wederpartij A] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 22 juni 2010 vernietigd, en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2011, en [verzoekster sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 5 april 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2011, heeft [verzoekster sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [wederpartij A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 7 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Heijsman, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, en [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door J.H.J.M. de Groot, bijgestaan door R. Wolf en mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [wederpartij A], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.1.1. De vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college het besluit op bezwaar onvoldoende heeft onderbouwd wat betreft zijn standpunten dat wordt voldaan aan de vereisten als neergelegd in artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi), zoals die bepalingen luidden ten tijde van belang, en dat door de realisering van het project geen onaanvaardbare toename van de overschrijding van de oriëntatiewaarde ten aanzien van het groepsrisico plaatsvindt, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden.

Nu echter niet op voorhand buiten twijfel is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven, bestaat aanleiding het verzoek tot schorsing van die uitspraak af te wijzen.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op het belang dat wordt gediend met een zo vlot mogelijke afwikkeling van het geschil, niet valt in te zien dat het college geen nieuw nader gemotiveerd besluit op bezwaar kan nemen welk besluit in de bodemprocedure kan worden meegenomen. Ook het bedrijfseconomische belang van [verzoekster sub 2] bij een vlottere verkoop van de nog niet verkochte appartementen, waarvoor een bouwvergunning is verleend, wordt mede gelet op de omstandigheid dat het bouwen zonder onherroepelijke bouwvergunning naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 4 augustus 2010 in zaak nr. 200909705/1/H1) geschiedt voor eigen risico, onvoldoende zwaarwegend geacht om de aangevallen uitspraak waarin de externe veiligheid in het geding is, te schorsen.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

543.