Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201011890/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming huurtoeslag 2006 voor [appellante] op nihil vastgesteld en het voor dat jaar uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.999,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011890/1/H2.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2010 in zaak nr. 09/2890 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming huurtoeslag 2006 voor [appellante] op nihil vastgesteld en het voor dat jaar uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.999,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2011, waar [appellante] in persoon, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. Schütz, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het derde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vierde lid kan een herziening van een voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, worden voorschotten, indien deze zijn verleend, verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) in 2005 over de juiste gegevens beschikte en dat de Belastingdienst op grond van artikel 10 van de Grondwet van deze gegevens had moeten uitgaan.

2.2.1. Artikel 10 van de Grondwet draagt de wetgever op regels te stellen omtrent de kennisneming, gebruik en verbetering van persoonsgegevens. Artikel 10 ziet niet op hetgeen [appellante] kennelijk beoogt. Voorts heeft de Belastingdienst ter zitting toegelicht dat de van VROM afkomstige gegevens in 2006 niet direct zijn gecontroleerd, maar dat bij wijze van spoedmaatregel zonder verder onderzoek aan alle volgens deze gegevens bekende aanvragers huurtoeslag is toegekend om betalingsproblemen te voorkomen. De gegevens van [appellante] zijn eerst ten behoeve van het definitief vaststellen van haar huurtoeslag bij besluit van 18 augustus 2008 onderzocht. Dit onderzoek is weliswaar laat, maar overeenkomstig de systematiek van de Awir, uitgevoerd. Die systematiek houdt in dat de huurtoeslag na afloop van de periode waarop hij ziet, definitief wordt vastgesteld. Het betoog faalt.

2.3. [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst met toepassing van artikel 6:150 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet bewijzen dat hij bij de bepaling van het voorschot een fout heeft gemaakt. Artikel 6:150 van het BW ziet op subrogatie van vorderingen. Kennelijk doelt [appellante] op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid of billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Dit artikel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing in deze, bestuursrechtelijke, procedure.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst niet in redelijkheid de reeds uitbetaalde voorschotten kan terugvorderen, omdat de Belastingdienst onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij voert daartoe aan dat zij op het aanvraagformulier de juiste inkomensgegevens van haar en haar medebewoner heeft opgegeven. Zij mocht er daarom behoudens tegenbewijs op vertrouwen dat de betalingen correct waren en de Belastingdienst de voorschotten huurtoeslag niet zou terugvorderen, aldus [appellante].

2.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomensgegevens van [appellante] en haar medebewoner, die zij op haar aanvraag heeft ingevuld, juist zijn en dat het inkomen van [appellante] voor het jaar 2006 meer bedraagt dan het voor haar geldende norminkomen om in aanmerking te komen voor huurtoeslag.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. 200808514/1/H2) vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid, van de Awir, voort dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot heeft immers slechts een voorlopig karakter: het kan ingevolge artikel 24, tweede en derde lid, van de Awir worden verrekend met de tegemoetkoming, wat tot een terugvordering kan leiden. De Belastingdienst heeft erkend dat zij op de aanvraag van [appellante] en haar latere wijzigingsverzoek niet adequaat heeft gereageerd. Dit neemt niet weg dat [appellante] aan de verlening van het voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de tegemoetkoming ter hoogte van het bij het voorschot verleende bedrag zou worden vastgesteld. Derhalve heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming terecht op nihil vastgesteld en was hij ingevolge artikel 26 van de Awir gehouden het teveel uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.999,00 terug te vorderen. Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte in het proces-verbaal heeft vermeld dat zij heeft verklaard dat het inkomen van haar zoon in het besluit van 18 augustus 2008 op nihil stond, omdat zij dit besluit waarin dit inkomen stond nooit heeft ontvangen. Deze passage in het proces-verbaal is voor de vaststelling van de tegemoetkoming niet van belang.

2.6. Tot slot faalt het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het aan haar uitbetaalde voorschot moet terugbetalen, omdat voormalig minister Herfkens de teveel betaalde toelage ook niet behoefde terug te betalen en dat daarmee het gelijkheidsbeginsel is geschonden. [appellante] heeft dit beroep op het gelijkheidsbeginsel eerst in hoger beroep aangevoerd en niet aannemelijk gemaakt dat zij dit niet eerder had kunnen doen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

47-705.