Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR3193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
201011855/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2010, nummer 99, heeft de raad het bestemmingsplan "Roeleveen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011855/1/R1.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede, en anderen,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2010, nummer 99, heeft de raad het bestemmingsplan "Roeleveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door drs. J.E. Leenders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad betoogt dat de beroepsgronden dat het plan ten onrechte niet in een theehuis op het perceel voorziet en dat de raad hiermee in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld niet-ontvankelijk zijn omdat deze beroepsgronden niet in de zienswijze naar voren zijn gebracht.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De door [appellant] en anderen naar voren gebrachte zienswijze heeft, evenals het beroepschrift, betrekking op het plandeel ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Nootdorp sectie A, nummer 2482 (hierna: het perceel). De hiervoor genoemde gronden zijn een nadere onderbouwing van het beroep tegen dit plandeel. Gelet hierop is er geen aanleiding in zoverre het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2. Het plan voorziet in het planologisch-juridisch kader voor het gebied Roeleveen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de herinrichting van een groter gebied, waartoe ook de Nieuwe Driemanspolder en Potteveen, gelegen op het grondgebied van andere gemeenten, behoren.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat hun schuilhut en het gebruik van de schuilhut en het perceel voor dagrecreatie ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Zij voeren aan dat niet duidelijk is welk gebruik mogelijk is binnen de bestemming "Natuur" en dat het gebruik voor dagrecreatie en de bebouwing van de schuilhut passen binnen de voor het gebied voorziene ontwikkelingen. [appellant] en anderen betogen verder dat het plan ten onrechte niet in de mogelijkheid voorziet een theehuis op het perceel te exploiteren en twee huisjes te bouwen. Volgens hen passen ook een theehuis en twee huisjes binnen de inrichting van het gebied. Zij wijzen hierbij op in de omgeving geboden ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatie.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorheen geldende bestemmingsplan evenmin voorzag in recreatief gebruik of de mogelijkheid om bebouwing op te richten, anders dan onder het overgangsrecht. Voorts passen een theehuis en twee huisjes volgens de raad niet in de inrichting van het gebied in verband met het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden.

2.5. Op het perceel staat een schuilhut met een oppervlakte van ongeveer 24 m2 . Voor deze schuilhut is op 8 augustus 1980 een bouwvergunning verleend. Niet in geschil is dat de schuilhut kan worden aangemerkt als een gebouw als bedoeld in artikel 1, lid 1.25, van de planregels. De schuilhut en het perceel worden door [appellant] en anderen gebruikt voor dagrecreatie.

Aan het perceel is de bestemming "Natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels, zijn de op de verbeelding voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden. Ten behoeve van deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De bestemming laat beplantingen, oppervlaktewateren, fiets-, voet- en ruiterpaden, erfontsluitingswegen, voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, agrarisch medegebruik in de vorm van extensieve beweiding en uitingen van kunst toe.

Ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels wordt onder extensief recreatief medegebruik verstaan wandelen, lopen, fietsen, verwijlen, vissen en dergelijke.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, voor zover hier van belang, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en afwijkt van het plan gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

2.6. In de plantoelichting staat dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de zogenoemde Groenblauwe Slinger. Het doel van de Groenblauwe Slinger is het evenwicht tussen stad en land te bewaren en waar nodig te herstellen. In Roeleveen ligt volgens de plantoelichting het accent op een betere toegankelijkheid voor het publiek en op een meer ecologisch beheer van het grasland. Volgens de plantoelichting is dit uitgangspunt in het plan vertaald door de bestemming voor de landerijen te wijzigen in de bestemming "Natuur", teneinde natuur- en landschappelijke waarden te behouden en te ontwikkelen. Recreatief gebruik is beperkt tot extensief recreatief medegebruik, aldus de plantoelichting.

2.7. De Afdeling ziet, gelet op de doeleinden van het plan om natuur- en landschappelijke waarden in het gebied te behouden en te ontwikkelen en de beperking van recreatief gebruik tot extensief recreatief gebruik, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de exploitatie van een theehuis en de bouw van twee huisjes niet binnen de inrichting van het plangebied passen. Anders dan [appellant] en anderen betogen brengt het enkele feit dat in het inrichtingsplan in de Nieuwe Driemanspolder op verscheidene locaties wel recreatieve functies worden toegestaan niet met zich dat een theehuis en twee huisjes binnen de inrichting van het plangebied passen, omdat voor de inrichting van deze gebieden andere accenten zijn gelegd.

Ten aanzien van de door [appellant] en anderen gemaakte vergelijking met de naastgelegen manege en de vergelijking met de maneges en het theehuis in de Nieuwe Driemanspolder wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat ten aanzien van de naastgelegen manege bestaande rechten dienen te worden gerespecteerd en omdat voor de inrichting van de Nieuwe Driemanspolder en Potteveen andere accenten zijn gelegd. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.8. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het gebruik van de schuilhut en het perceel voor dagrecreatie ten onrechte niet als zodanig bestemd is, overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen ter zitting hebben toegelicht dat zij de schuilhut en het perceel af en toe gebruiken voor het drinken van koffie en ontspanning. Naar het oordeel van de Afdeling kan dit gebruik als verwijlen kan worden aangemerkt. Nu verwijlen ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels als extensief recreatief medegebruik is aangemerkt, is het feitelijk gebruik dat [appellant] en anderen maken van de schuilhut en het perceel als zodanig bestemd. Ter zitting heeft de raad dit desgevraagd erkend. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

2.9. De Afdeling overweegt voorts dat ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels de bebouwing van de schuilhut niet als zodanig is bestemd en derhalve onder het bouwovergangsrecht is gebracht. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Indien aan deze voorwaarden is voldaan kan het bestaande bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht.

Gelet op de doeleinden van het plan om natuur- en landschappelijke waarden te behouden en te ontwikkelen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bebouwing van de schuilhut niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de provincie zal trachten het perceel te verwerven en indien nodig tot een onteigeningsprocedure zal overgaan. Nu volgens de plantoelichting in het gebied een betere toegankelijkheid voor het publiek het uitgangspunt is en de raad derhalve voor het perceel een ander grondgebruik voor ogen staat dan het huidige gebruik van het perceel door [appellant] en anderen voor privérecreatie, is onteigening van het perceel mogelijk. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de schuilhut.

Wat betreft de door [appellant] en anderen gemaakte vergelijking met de bebouwing op de nabijgelegen percelen overweegt de Afdeling dat aan deze percelen de bestemmingen "Wonen", "Agrarisch" en "Sport-manege" zijn toegekend. Anders dan bij de bestemming "Natuur" is gebruik overeenkomstig deze bestemmingen nauwelijks of niet mogelijk zonder bebouwing.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bebouwing van de schuilhut onder het overgangsrecht kunnen brengen.

2.10. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011

533-703.