Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201011437/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar een aanvraag van Oranjesaatsie om verlening van een evenementenvergunning voor het organiseren van festiviteiten op Koninginnedag 2008 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011437/1/H3.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Zènderse Oranjesaatsie, gevestigd te Zevenaar, (hierna: Oranjesaatsie)

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) van 14 oktober 2010 in zaak nr. 10/412 in het geding tussen:

Oranjesaatsie

en

de burgemeester van Zevenaar (hierna: de burgemeester).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar een aanvraag van Oranjesaatsie om verlening van een evenementenvergunning voor het organiseren van festiviteiten op Koninginnedag 2008 afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2008, voor zover thans van belang, heeft het college het door Oranjesaatsie daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en heeft de burgemeester de aanvraag afgewezen.

Bij uitspraak van 14 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Oranjesaatsie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Oranjesaatsie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2011, waar Oranjesaatsie, vertegenwoordigd door de [voorzitter] van haar bestuur, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J.S. van Helden en E. Koers, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2006 van de gemeente Zevenaar (hierna: de Apv) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast.

2.2. De burgemeester betoogt dat Oranjesaatsie geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep, omdat het evenement, voor het organiseren waarvan vergunning is geweigerd, inmiddels heeft plaatsgevonden.

2.2.1. Nu aannemelijk is dat Oranjesaatsie voor toekomstige Koninginnedagen opnieuw vergunning zal aanvragen voor het organiseren van een evenement, heeft Oranjesaatsie belang bij het door haar ingestelde hoger beroep, omdat het oordeel van de Afdeling van betekenis kan zijn voor toekomstige beslissingen op haar aanvragen.

Het betoog faalt.

2.3. Zowel Oranjesaatsie, als de stichting Stichting Feeststad (hierna: Feeststad), hebben een aanvraag voor het organiseren van festiviteiten op Koninginnedag 2008 in het centrum van Zevenaar gedaan. Bij besluit van 27 november 2007 heeft de burgemeester de vergunning aan Feeststad verleend.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bij het beoordelen van een aanvraag om een evenementenvergunning een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. Indien twee of meer aanvragen zijn ingediend die op dezelfde activiteiten en dezelfde locatie betrekking hebben , kan de burgemeester de afwijzing in beginsel motiveren met een beroep op het belang van de openbare orde en het beperken van overlast, aldus de rechtbank, omdat het organiseren van twee evenementen op dezelfde tijd en dezelfde plaats overlast geeft en mogelijk problemen met de openbare orde. De burgemeester heeft de aanvraag van Oranjesaatsie om verlening van een evenementenvergunning voor Koninginnedag 2008 in redelijkheid kunnen afwijzen, omdat de organisatie van de kinder- en cultuurmarkt bij de andere aanvrager beter is gewaarborgd, aldus de rechtbank. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat Oranjesaatsie in 2007 kort voor Koninginnedag de kinder- en cultuurmarkt heeft geannuleerd en de andere aanvrager de organisatie hiervan heeft overgenomen.

2.5. Oranjesaatsie betoogt dat de burgemeester haar in strijd met artikel 4:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voorafgaand aan het besluit van 16 oktober 2007, geen gelegenheid heeft geboden haar zienswijze naar voren te brengen. Voorts was de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk vanwege een andere functie die haar secretaris vervult.

2.5.1. Beide gronden heeft Oranjesaatsie voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is aan te nemen dat dit niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, kan dit reeds om die reden niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.6. Oranjesaatsie betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester te laat op haar aanvraag heeft beslist. Door de latere aanvraag van Feeststad bij de beoordeling te betrekken, heeft de burgemeester de rechtszekerheid geschaad en in strijd met het verbod van willekeur gehandeld, aldus Oranjesaatsie, omdat in 2006 het principe "wie het eerst komt, het eerst maalt" bij de beoordeling van aanvragen om verlening van een evenementenvergunning voor Koninginnedag werd toegepast. Voorts heeft de rechtbank miskend dat in de beslissing om de beslistermijn te verlengen ten onrechte geen bezwaarclausule is opgenomen en dat die beslissing niet berust op een redelijke belangenafweging.

2.6.1. Dit betoog slaagt evenmin. De burgemeester heeft de aanvraag van Oranjesaatsie op 20 maart 2007 ontvangen. Op 16 april van dat jaar heeft hij haar schriftelijk laten weten dat die aanvraag met het oog op de evaluatie van Koninginnedag 2007 nog niet in behandeling wordt genomen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat deze mededeling weliswaar geen termijn, als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb, bevat, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van het besluit van 25 april 2008. Oranjesaatsie kon indien zij zich met die aanhouding niet kon verenigen opkomen tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. Zij heeft dat niet gedaan. De brief van 16 april 2007 behelst een voorbereidingsbeslissing, als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb, waartegen geen rechtsmiddel open stond. Reeds hierom kan het betoog dat in de mededeling ten onrechte geen bezwaarclausule is opgenomen niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Voorts is er geen grond voor het oordeel dat de burgemeester het besluit op de aanvraag niet mocht aanhouden in afwachting van de resultaten van de evaluatie.

Dat de aanvraag van Feeststad na het verstrijken van de termijn, waarbinnen op de aanvraag van Oranjesaatsie moest worden beslist, is ingediend, brengt niet mee dat de burgemeester die aanvraag niet bij de besluitvorming mocht betrekken; de bepalingen van de Apv, noch enige andere bepaling, stonden daaraan in de weg. Het betoog dat de rechtszekerheid door het in behandeling nemen van de aanvraag van Feeststad is geschonden, faalt, omdat voor het jaar 2008 een aanvraag van haar werd verwacht. Oranjesaatsie heeft hiermee rekening gehouden, nu zij, naar zij heeft gesteld, er voor heeft gekozen om de aanvraag voor 2008 vroeg in te dienen om zeker te stellen dat die de eerste zou zijn. Het betoog van Oranjesaatsie dat het in 2006 in haar nadeel toegepaste principe "wie het eerst komt, het eerst maalt" nu niet in haar voordeel is toegepast, leidt niet tot het oordeel dat de burgemeester in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. De burgemeester heeft ontkend dat hij dat principe bij de beoordeling van een aanvraag als uitgangspunt hanteert. Het tegendeel heeft Oranjesaatsie niet aannemelijk gemaakt.

2.7. Ten slotte betoogt Oranjesaatsie dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester haar aanvraag niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

2.7.1. Aan de afwijzing heeft de burgemeester de belangen van openbare orde en het voorkomen of beperken van overlast ten grondslag gelegd. Hij acht het verlenen van twee vergunningen in verband met de openbare orde niet wenselijk. Twee gedeeltelijke toewijzingen zijn volgens hem evenmin wenselijk. Hij heeft daarbij aangevoerd dat Oranjesaatsie op Koninginnedag 2007 een door haar georganiseerd evenement onverwacht heeft geannuleerd, wat voor commotie en onbegrip bij het publiek zorgde. Oranjesaatsie heeft voorts in 2007 een maand voor Koninginnedag de vergunde kinder- en cultuurmarkt geannuleerd. Nu de continuïteit van de kinder- en cultuurmarkt aldus niet voldoende is gewaarborgd als de organisatie van het evenement aan Oranjesaatsie wordt vergund, dreigt volgens de burgemeester in plaats daarvan het ontstaan van een ongeregelde vrijmarkt. Dat is uit een oogpunt van de openbare orde niet wenselijk. Om verstoring van een ordelijk verloop van het evenement te voorkomen, heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend aan één organisator, waarbij de doorgang van de kinder- en cultuurmarkt volgens hem wel is gegarandeerd.

2.7.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester onder de door hem en niet, althans niet gemotiveerd, weersproken omstandigheden, aan de afwijzing van de aanvraag van Oranjesaatsie het belang van de openbare orde ten grondslag heeft mogen leggen, nu Feeststad een soortgelijke aanvraag had ingediend die voor inwilliging in aanmerking kwam. Gelet op de omstandigheid dat de burgemeester het niet wenselijk achtte de activiteiten van beide organisaties zelf via beperkte vergunningen af te bakenen en er geen grond is dat standpunt rechtens onjuist te achten, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat hij in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om, met het oog op de ervaringen met Oranjesaatsie in 2007, het evenement in 2008 niet aan Oranjesaatsie te vergunnen.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

97-591.