Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201011194/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het college aan [appellanten] bouwvergunning voor een steiger aan de [locatie] te [plaats] geweigerd en een last onder dwangsom opgelegd om de steiger binnen drie maanden na dagtekening van de brief te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011194/1/H1.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 oktober 2010 in zaak nr. 09/2648 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het college aan [appellanten] bouwvergunning voor een steiger aan de [locatie] te [plaats] geweigerd en een last onder dwangsom opgelegd om de steiger binnen drie maanden na dagtekening van de brief te verwijderen.

Bij besluit van 10 september 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2009 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van eisers tegen de weigering van het college om bouwvergunning te verlenen voor de door hen geplaatste vlonder op het perceel. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op 13 april 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen met inachtneming van de rechtbankuitspraak van 11 oktober 2010.

[appellanten] hebben hierop geageerd bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2011, waar mr. W. Visser namens [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J. Boersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De reeds geplaatste steiger aan de oeverzijde van het perceel [locatie] heeft een totale lengte van circa 7,62 m lang. De breedte is over een lengte van circa 4,75 m circa 2,54 m en voor het overige circa 2 m.

2.2. [appellanten] kunnen zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het van de welstandsnota deel uitmakende "Beeldkwaliteitplan Parkwijk "De Singels"" (hierna: het beeldkwaliteitplan), voor wat betreft de zin "Op de wateroever zijn geen terrassen, vlonders en dergelijke toegestaan" buiten toepassing gelaten moet worden. Zij betogen echter dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen andere welstandscriteria zijn, waaraan het bouwplan kan worden getoetst. Volgens [appellanten] had de rechtbank moeten constateren dat er geen weigeringsgronden zijn en alsnog, zelf voorziend, de bouwvergunning moeten verlenen.

2.2.1. Het betoog faalt. Niet gebleken is dat de welstandsnota geen welstandscriteria bevat waarmee het bouwplan in strijd is. Daarbij zijn niet uitsluitend de specifieke criteria in het beeldkwaliteitplan, na het buiten toepassing laten van de betreffende zin "Op de wateroever zijn geen terrassen, vlonders en dergelijke toegestaan", van belang. Bij de welstandsbeoordeling dient het bouwplan ook te worden getoetst aan de welstandsnota en de daarin opgenomen algemene welstandscriteria.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Bij besluit van 13 april 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellanten] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellanten] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellanten], gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden, voor zover het zich richt tegen de weigering van de bouwvergunning.

2.5. De aangevallen uitspraak heeft geen betrekking op de last onder dwangsom. Daarover heeft de voorzieningenrechter op 12 november 2009 uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep kan derhalve niet mede betrekking hebben op het besluit van 13 april 2011, voor zover daarbij opnieuw is beslist op het bezwaar tegen de last onder dwangsom. Voor zover bij de brief van [appellanten] van 11 mei 2011 beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar inzake de last onder dwangsom moet dit ingevolge artikel 6:15 van de Awb worden doorgezonden naar de rechtbank.

2.6. Bij het besluit van 13 april 2011 heeft het college de weigering van de bouwvergunning van 4 juni 2009 in stand gelaten met herziening van de motivering daarvan. Het college heeft daarbij het advies van de welstandscommissie van 9 maart 2011 overgenomen. De welstandscommissie heeft het bouwplan getoetst zowel aan het oude beeldkwaliteitplan met uitzondering van de zin "op de wateroever zijn geen terrassen, vlonders en dergelijke toegestaan", als aan de herziening van het beeldkwaliteitplan die op 1 maart 2011 is vastgesteld. Blijkens de motivering van dit advies heeft het bouwwerk geen natuurlijke uitstraling en profileert het zich dermate prominent ten opzichte van de natuurlijke oever dat het beeld van een natuurlijke oever te zeer wordt aangetast.

2.7. [appellanten] betogen dat het college geen rekening mocht houden met de wijziging van de welstandsnota, nu de criteria uit de op 1 maart 2011 vastgestelde herziening van het beeldkwaliteitplan niet van te voren kenbaar waren en de herziening ten tijde van de bestreden uitspraak nog niet was vastgesteld.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 18 maart 2009 in zaak nr. 200805756/1) is de bezwaarschriftprocedure bedoeld voor volledige heroverweging. Dat betekent dat ook wanneer na een vernietiging door het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen, in beginsel dient te worden besloten met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Er bestaat in dit geval geen aanleiding in afwijking hiervan niet aan de gewijzigde welstandscriteria te toetsen.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.7.3. Niet gebleken is dat het welstandsadvies van 9 maart 2011 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. Het college heeft bij besluit van 13 april 2011 het bezwaar tegen het weigeren van de bouwvergunning daarom terecht ongegrond verklaard en de weigering onder verbetering van de motivering gehandhaafd.

2.8. Gelet hierop heeft het college derhalve terecht het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op de weigering van de bouwvergunning, afgewezen.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2011, voor zover het gericht is tegen de weigering van de bouwvergunning, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

17-702.