Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201004380/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan 'Kern Vijlen' - Uitbreidingsplan Vijlen-Zuidoost 1e fase" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2915
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004380/1/R3.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Vijlen, gemeente Vaals, en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: de vennootschap en anderen),

en

de raad van de gemeente Vaals,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan 'Kern Vijlen' - Uitbreidingsplan Vijlen-Zuidoost 1e fase" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vennootschap en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 31 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2011, waar, [vennoot A] en [vennoot B], bijgestaan door mr. drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. Engels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan maakt de oprichting mogelijk van een woonzorgcomplex bestaande uit eenentwintig appartementen en van twaalf woningen. Het voorziet tevens in acht vrije kavels met een woonbestemming en de bijbehorende infrastructuur. Het plangebied ligt in het verlengde van de Pater Gelissenstraat te Vijlen en ligt ingeklemd tussen deze straat en de Vijlenberg in de kern Vijlen.

2.2. De vennootschap en anderen betogen dat, nu de anterieure overeenkomsten waarvan de raad stelt dat ze zijn afgesloten, in strijd met artikel 6.2.12 van het Besluit ruimtelijke ordening niet ter inzage zijn gelegd, geen sprake is van overeenkomsten in de zin van artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening, zodat in plaats daarvan een exploitatieplan had moeten worden opgesteld.

2.2.1. Het beroep van de vennootschap en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. De vennootschap en anderen zijn echter geen eigenaar van gronden in het exploitatiegebied en hebben evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Ook anderszins is niet gebleken van belangen van de vennootschap en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van onderdelen van een exploitatieplan. Gelet daarop kunnen de vennootschap en anderen, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009, in zaak nr. 200901438/1/R3, niet worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van de vennootschap en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. De vennootschap en anderen exploiteren een hotel met restaurant en terras aan de [locatie]. Zij betogen dat de raad ten onrechte niet in de planregels heeft opgenomen dat de bebouwing in overeenstemming dient te zijn met het Beeldkwaliteitkader "Vijlen-Zuidoost" (hierna: het beeldkwaliteitkader), zodat dit niet juridisch is verankerd en nakoming van het beeldkwaliteitkader bij het verlenen van omgevingsvergunningen niet kan worden afgedwongen.

2.3.1. De raad voert aan dat het beeldkwaliteitkader een belangrijke rol heeft gespeeld bij het opstellen van de bouwregels en daarnaast dient als aanvullend toetsingskader voor de te verlenen omgevingsvergunningen.

2.3.2. De ruimtelijk relevante voorschriften die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitkader, zoals bouw- en goothoogte en de afstand van woningen tot de zijdelingse perceelgrens, zijn tevens opgenomen in de planregels, zodat de nakoming hiervan in zoverre ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen is verzekerd. Wat betreft de welstandseisen die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitkader overweegt de Afdeling dat in een bestemmingsplan geen welstandseisen worden opgenomen. De toets of een (voorzien) gebouw of bouwwerk aan welstandseisen voldoet is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot een aan te vragen omgevingsvergunning. Het betoog dat de raad ten onrechte niet in de planregels heeft opgenomen dat de bebouwing in overeenstemming dient te zijn met het beeldkwaliteitkader, faalt.

2.4. De vennootschap en anderen betogen voorts dat uitvoering van het plan ingrijpende effecten zal hebben op de dassenpopulatie en de habitat daarvan, zodat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) vereist is en deze ontheffing ten onrechte niet is aangevraagd. De in de toelichting van het plan opgenomen maatregelen zijn niet voldoende om te bewerkstelligen dat geen ontheffing is vereist, en zijn bovendien niet juridisch afdwingbaar.

2.4.1. De raad voert aan dat naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna onderzoek is gedaan door Econsultancy. De conclusie van het onderzoek is dat een ontheffing niet nodig is wanneer een aantal uitvoeringsmaatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de toelichting bij het plan en krijgen hun uitwerking in het cultuurtechnisch plan.

2.4.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.4.3. Ingevolge artikel 75, vijfde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, worden vrijstellingen en ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

2.4.4. Volgens de toelichting maakt het plangebied deel uit van het primaire leefgebied van de das en bevindt zich in het zuidelijk deel van het plangebied een bijburcht in een kleine graft. Nadat Econsultancy B.V. in een rapport van 16 december 2008 heeft geadviseerd om in het plan rekening te houden met compenserende maatregelen voor de das is opdracht verstrekt tot vervolgonderzoek. In dat onderzoek heeft Econsultancy B.V. geconcludeerd dat mits passende maatregelen worden getroffen, het plan niet verstorend is voor de rust- of verblijfplaats van de das en een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk is. In de toelichting is voorts aangegeven welke maatregelen het betreft en op welke wijze daarmee rekening zal worden gehouden. Zo staat in de toelichting dat bij de realisering van de in het plan bij recht toegestane bebouwing een bufferzone van 85 meter tot de bijburcht zal worden aangehouden - waar een zone van 60 meter wordt geadviseerd - en maakt het plan dat ook mogelijk. Voorts staat in de toelichting dat de net buiten het plangebied gelegen akker, voor zover het gronden betreft die in eigendom aan de gemeente toebehoren, zullen worden omgezet naar grasland omdat grasland een hoger voedselaanbod heeft dan een akker. Ook zal rekening worden gehouden met het advies om de randen van het plangebied aan te planten met inheemse bomen en dichte struiken waarlangs de dassen kunnen foerageren, en met het advies om rondom de toekomstige waterpartij aan de oostzijde van het plangebied natuurlijke oevers te maken zonder steile helling, zodat de waterpartij kan dienen als drinkplaats. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.5. De vennootschap en anderen betogen dat de groenvoorzieningen die worden genoemd in de Nota van zienswijzen ten onrechte niet in het plan zijn verankerd.

2.5.1. De raad voert aan dat het niet gebruikelijk en verplicht is om de kleinschalige groenvoorzieningen waar het om gaat en die zullen worden opgenomen in de cultuurtechnische uitwerking, op te nemen in een bestemmingsplan. Van belang is dat de planregels voorzien in de oprichting van dergelijke groenvoorzieningen, hetgeen het geval is.

2.5.2. Zoals de raad met juistheid stelt, zijn de gronden met de bestemmingen "Maatschappelijk", "Verkeer - Verblijf", "Water" en "Wonen" ingevolge de planregels tevens bestemd voor de aanleg van groenvoorzieningen. Voor zover de vennootschap en anderen hebben beoogd te betogen dat de aanleg van groen in het plangebied had moeten worden verzekerd door aan gronden de bestemming "Groen" toe te kennen, overweegt de Afdeling dat hetgeen de vennootschap en anderen hebben aangevoerd onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat het plan ruimtelijk niet aanvaardbaar is omdat deze bestemming niet aan gronden in het plangebied is toegekend. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de plantoelichting staat dat bij de realisering van het nieuwbouwproject aan de groennorm uit het gemeentelijke groenstructuurplan zal moeten worden voldaan en dat in de planregels is voorzien in ruime mogelijkheden om groen in het plangebied op te richten. Niet aannemelijk is dat van deze mogelijkheden geen gebruik zal worden gemaakt.

2.6. Naar aanleiding van de stelling van de vennootschap en anderen dat onduidelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is, heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat een anterieure overeenkomst terzake is gesloten met de Woningstichting Vaals, waardoor de financiële uitvoerbaarheid voldoende is verzekerd.

2.7. De vennootschap en anderen betogen dat de raad niet goed heeft onderkend welke gevolgen het plan heeft voor de exploitatie van hun hotel-restaurant met terras. Zij voeren hiertoe aan dat ten gevolge van het plan het voor hun bedrijfsvoering waardevolle uitzicht vanuit het restaurant en vanaf het terras op het achterliggende natuurlandschap nagenoeg volledig zal worden weggenomen door de te realiseren woningbouw en met name door het woonzorgcomplex.

2.7.1. De raad betoogt dat het woonzorgcomplex gerealiseerd zal worden op minimaal 50 meter afstand van de woningen aan de Vijlenberg en in verband met het hoogteverschil in het terrein lager worden gerealiseerd dan die woningen.

2.7.2. Volgens de toelichting bij het plan zal het woonzorgcomplex op minimaal 50 meter afstand van de woningen aan de Vijlenberg 1 t/m 33 worden gerealiseerd. Gelet op het hoogteverschil in het terrein zal het woonzorgcomplex ten opzichte van de woningen aan de Vijlenberg ongeveer 11 meter lager worden gerealiseerd, omdat de woningen aan de Vijlenberg gelegen zijn op een hoogte van ongeveer 205 meter boven NAP en het woonzorgcomplex zal worden gerealiseerd op een hoogte van ongeveer 194 meter boven NAP. Aangezien het woonzorgcomplex een maximale bebouwingshoogte krijgt van 10 meter ligt de bebouwing van het woonzorgcomplex, gezien in horizontale lijn vanaf het peil van de woningen aan de Vijlenberg, op -1 meter, aldus nog steeds de toelichting.

2.7.3. Ter zitting hebben de vennootschap en anderen onweersproken gesteld dat de in de toelichting van het plan genoemde terreinhoogtes betrekking hebben op het straatniveau aan de voorzijde van de woningen op de Vijlenberg, waar een hoogte van 205 meter boven NAP is gemeten, en op de oostelijke grens van het plangebied ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Water", waar een hoogte van 194 meter boven NAP is gemeten. Tussen deze meetpunten loopt het terrein glooiend af. Dit brengt mee dat, nu het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" gesitueerd is tegen de westelijke grens van het plangebied, het woonzorgcomplex niet op een hoogte van 194 meter boven NAP kan worden gerealiseerd, maar aanzienlijk hoger. Hetzelfde geldt voor de in het plan voorziene woningen. Blijkens de toelichting bij het plan heeft de raad dit niet onderkend. De vennootschap en anderen hebben, gelet hierop, aannemelijk gemaakt dat de te realiseren woningbouw - waarvoor ingevolge de planregels een maximale bouwhoogte van 7 tot 9 meter geldt - en het te realiseren woonzorgcomplex - waarvoor een bouwhoogte van 10 meter geldt en dat pal achter het bedrijf van de vennootschap en anderen gerealiseerd kan worden - indien het plan wordt uitgevoerd tot een aanzienlijk forsere aantasting van het uitzicht ter plaatse van het bedrijf van de vennootschap en anderen zal leiden dan waarvan de raad is uitgegaan. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid. Dit betoog van de vennootschap en anderen slaagt.

2.8. In hetgeen de vennootschap en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.9. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vaals van 8 februari 2010, kenmerk MF 090066;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Vaals tot vergoeding van bij [appellante] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 924,71 (zegge: negenhonderdvierentwintig euro en eenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Vaals aan [appellante] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

413.