Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201103743/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2011, kenmerk 2010/132, heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch buitengebied 'Omgeving Lunterseweg 25 te Ede'" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103743/2/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg, gevestigd te Ede,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2011, kenmerk 2010/132, heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch buitengebied 'Omgeving Lunterseweg 25 te Ede'" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, heeft de vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad van de gemeente Ede heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door M.P. Riemersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de Commissie Bouwzaken van de Gereformeerde Gemeente Ede, vertegenwoordigd door W. Verboom.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bouw van een kerkgebouw mogelijk te maken op het perceel Lunterseweg 25 (hierna: het perceel). Het perceel ligt ten noorden van Ede, tussen de nieuwe woonwijk Kernhem en de Doesburgerbuurt. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek daartoe van de Gereformeerde Gemeente Ede.

2.3. De vereniging betoogt dat het plan in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid zoals neergelegd in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) en het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de beleidsnota Doesburger Eng. Hiertoe voert de vereniging aan dat het kerkgebouw een negatief effect heeft op de Doesburger Eng, die in het streekplan is aangemerkt als waardevol landschap. Voorts stelt zij dat de begrenzing van het waardevol landschap indicatief is en dat het perceel ten onrechte niet hierin is gelegen. Verder voert de vereniging aan dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de Toekomstvisie Doesburger Eng, welke is neergelegd in de beleidsnota Doesburger Eng, terwijl is toegezegd dat dit zou gebeuren bij de vaststelling van bestemmingsplannen.

2.3.1. Niet in geschil is dat het waardevol landschap waarin de Doesburger Eng is gelegen wordt begrensd door de Lunterseweg en dat het perceel derhalve geen deel uitmaakt van het waardevol landschap.

Voor zover de vereniging betoogt dat het perceel ten onrechte geen deel hiervan uitmaakt, overweegt de voorzitter dat de begrenzing van het waardevol landschap is vastgesteld in het streekplan, welk plan thans geldt als structuurvisie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan is de raad niet gebonden aan het provinciale beleid zoals neergelegd in de structuurvisie. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Nu de raad expliciet aandacht heeft besteed aan het beleid en gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij de voorziene ontwikkeling in afwijking hiervan aanvaardbaar acht, is niet aannemelijk gemaakt dat geen rekening is gehouden met bedoeld beleid. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de bouw van het kerkgebouw onaanvaardbare gevolgen heeft voor de landschappelijke kwaliteit van het bedoelde waardevol landschap.

Ten aanzien van het betoog dat is toegezegd dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening zou worden gehouden met de Toekomstvisie Doesburger Eng, wordt overwogen dat niet is gebleken van een dergelijke aan de raad toe te rekenen toezegging. Nu de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de raad en in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden, verwacht de voorzitter niet dat in de bodemprocedure aan een toezegging, zo daarvan al sprake is, doorslaggevende betekenis zal worden toegekend.

2.4. Voorts betoogt de vereniging dat het in het plan voorziene kerkgebouw en de ten behoeve daarvan aan te leggen parkeerplaats afbreuk doen aan het agrarische karakter van het gebied en niet ruimtelijk inpasbaar zijn. In dit verband wijst de vereniging erop dat een dergelijk bouwwerk wat betreft zijn omvang en functie op een bedrijventerrein dient te worden gerealiseerd.

2.4.1. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het perceel een agrarisch bedrijf was gevestigd, dat de locatie onderdeel uitmaakt van een structureel samenhangend bebouwingscluster dat zich langs de Krommesteeg en de Lunterseweg heeft gevormd en dat derhalve geen sprake is van een solitair stedenbouwkundig element in het open landschap. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de parkeerplaats aan de achterzijde van de kerk zal worden aangelegd en dat het kerkgebouw en de parkeerplaats zullen worden omringd door afschermende hagen en opgaand groen. Tevens is in de plantoelichting vermeld dat het kerkgebouw wat betreft bouwstijl en materiaalgebruik zal aansluiten bij de bestaande bebouwing. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het kerkgebouw en de daarbij behorende parkeerplaats leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het agrarische karakter van het gebied en niet ruimtelijk inpasbaar zijn.

2.5. De vereniging wijst tevens op alternatieven voor het plan. Zij stelt voor het kerkgebouw te realiseren op het vrijkomende kazerneterrein, een andere locatie in Ede-Oost, althans in ieder geval op een inbreidingslocatie en niet in het buitengebied.

2.5.1. De voorzitter overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van een plan. Daarbij heeft de raad beoordelingvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Nu ter zitting is gebleken dat de raad heeft onderzocht of geen gebruik kon worden gemaakt van leegstaande kerkgebouwen en andere gebouwen, maar dat geen locatie met 200 parkeerplaatsen beschikbaar was, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieven voor het plan onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

2.6. Voor zover de stichting heeft aangevoerd dat het buurtschapbeleid uit het voorgaande bestemmingsplan "Agrarisch buitengebied 1994" van toepassing is op het plan, en dat de bouw van een kerkgebouw daarmee in strijd is omdat de kerk een bovenregionale functie heeft, acht de voorzitter, daargelaten de vraag of voornoemd beleid van toepassing is, niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene kerk een bovenregionale functie heeft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting onweersproken is gesteld dat van de leden van de Gereformeerde Gemeente Ede 78 procent in Ede zelf wonen en 20 procent in Ederveen en Lunteren, beiden gemeente Ede, en slechts 2 procent van de leden in een gemeente buiten Ede woonachtig zijn.

2.7. In hetgeen de vereniging voor het overige heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011

159-694.