Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201104811/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2000 herziening 2002 23e wijziging ([locatie])" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104811/2/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen en de stichting Stichting Milieuwerkgroep de Oude IJsselstreek (hierna: [verzoeker] en de stichting), allen wonend respectievelijk gevestigd te Doetinchem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2000 herziening 2002 23e wijziging ([locatie])" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2011.

Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoeker] en de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2011, waar [verzoeker] en de stichting, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door mr. dr. N.C. Faber en ing. E. Wentink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.A. Wieringa en J.H.M. Wilms.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 5, lid 12, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000 herziening 2002" (hierna: het bestemmingsplan). Het wijzigingsplan voorziet in de verschuiving van het agrarisch bouwperceel aan de [locatie] te Doetinchem, teneinde de bouw van twee nieuwe stallen binnen het agrarisch bouwperceel mogelijk te maken.

2.3. In hetgeen [verzoeker] en de stichting dienaangaande hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan ten onrechte niet digitaal is vastgesteld. Uit artikel 8.1.2, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat het wijzigingsplan mocht worden vastgesteld op de wijze waarop het bestemmingsplan is vastgesteld.

2.4. [verzoeker] en de stichting voeren aan dat met het wijzigingsplan niet is voldaan aan de daarvoor in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden. Daartoe voeren zij aan dat het wijzigingsplan voorziet in een vergroting van het bouwperceel en dat het college derhalve ten onrechte geen advies heeft ingewonnen van de provinciale dienst betreffende agrarische aangelegenheden. Voorts voeren [verzoeker] en de stichting aan dat de noodzaak van de verschuiving voor een doelmatige bedrijfsvoering niet is aangetoond. Zij stellen tevens dat het wijzigingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van landschaps- en natuurwaarden in aangrenzende gebieden.

2.4.1. Naar het oordeel van de voorzitter is niet op voorhand komen vast te staan dat in de thans voorliggende situatie niet is voldaan aan de daarvoor in het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden.

In hetgeen is aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding de berekeningen van de oppervlakte van het agrarisch bouwperceel, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van het computerprogramma AutoCad, onjuist te achten. De in dit verband door [verzoeker] en de stichting op grond van handmatige metingen van de bouwblokken gemaakte berekeningen, zoals deze ter zitting zijn toegelicht, acht de voorzitter hiervoor onvoldoende overtuigend. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan voorziet in een vergroting van het bouwperceel en dat het college derhalve ten onrechte geen advies heeft ingewonnen van de provinciale dienst betreffende agrarische aangelegenheden.

Voorts ziet de voorzitter, gelet op hetgeen in de brief van Hendrix UTD B.V. van 3 maart 2008 is vermeld, geen aanleiding voor het oordeel dat de noodzaak van de verschuiving voor een doelmatige bedrijfsvoering onvoldoende is aangetoond.

Gezien de aanwezige landschapswaarden, het feit dat op het perceel [locatie] nu reeds een agrarisch bedrijf is gevestigd en de wijze waarop de nieuwe stallen landschappelijk zullen worden ingepast, ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en de stichting hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van de landschapswaarden in aangrenzende gebieden. Ten slotte acht de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van de natuurwaarden in aangrenzende gebieden.

2.5. [verzoeker] en de stichting betogen dat het college ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: plan-MER) heeft laten opstellen over de gevolgen die het wijzigingsplan met zich brengt. Hiertoe voeren zij aan dat hoewel in de inrichting op grond van de verleende milieuvergunning maar 2.796 vleesvarkens mogen worden gehouden, het wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid dat meer dan 3.000 vleesvarkens ter plaatse kunnen worden gehouden, waardoor de drempelwaarde van 3.000 vleesvarkens van categorie 14 van onderdeel C van de Bijlage bij het Besluit MER wordt overschreden. In dit verband wijzen zij erop dat het houden van dieren op meerdere bouwlagen niet is uitgesloten in de planregels en dat in de toekomst in stal 7 tevens vleesvarkens zouden kunnen worden gehouden.

2.5.1. Het college heeft bij besluit van 27 juli 2010 aan [belanghebbende] een milieuvergunning verleend voor het houden van 2.796 vleesvarkens en 2.016 gespeende biggen in de inrichting op het perceel aan de [locatie]. Ter zitting is gebleken dat een met de milieuvergunning samenhangende bouwvergunning is aangevraagd.

[verzoeker] en de stichting hebben beroep ingesteld tegen voornoemd besluit en inmiddels is door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het StAB-advies). Te verwachten valt dat de Afdeling op korte termijn uitspraak zal doen in deze zaak.

2.5.2. De voorzitter stelt vast dat een milieuvergunning is verleend op grond waarvan de bedrijfsvoering op bedoeld perceel wordt beperkt, nu maximaal 2.796 vleesvarkens en 2.016 gespeende biggen in de inrichting mogen worden gehouden. Indien wordt uitgegaan van de aantallen dieren zoals die zijn vermeld in de milieuvergunning, bestaat geen grond voor het oordeel dat de drempelwaarde van 3.000 vleesvarkens wordt overschreden. Voor de vrees dat de drempelwaarde wordt overschreden doordat op enig moment ook in stal 7 vleesvarkens zullen worden gehouden, en dat dit leidt tot onomkeerbare gevolgen, bestaat geen grond, nu voor een dergelijke wijziging in de bedrijfsvoering eerst een revisievergunning zal moeten worden aangevraagd en verleend dan wel een melding zal moeten worden gedaan en worden geaccepteerd, waartegen zo nodig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat mocht blijken dat toch een zodanige wijziging van de bedrijfsvoering van de inrichting plaatsvindt dat de drempelwaarde van 3.000 vleesvarkens wordt overschreden, [verzoeker] en de stichting ten aanzien van het onderhavige wijzigingsplan, zolang niet in de bodemprocedure in dit geding is beslist, een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kunnen indienen.

2.6. Voorts betogen [verzoeker] en de stichting dat het wijzigingsplan een negatieve invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden en zij vrezen dat het risico op dierziekten zal toenemen, mede omdat de GGD een afstand van 1 à 2 kilometer tussen intensieve veehouderijen adviseert, waaraan niet wordt voldaan.

2.6.1. Volgens het college voldoet het in het wijzigingsplan voorziene agrarisch bouwperceel aan de wettelijke afstandsnormen en behoeft niet te worden gevreesd voor de volksgezondheid en dierziekten.

2.6.2. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat mogelijke risico's voor de volksgezondheid en dierziekten geen aanleiding geven om de wijziging van het agrarisch bouwperceel niet toe te staan. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat voorts aan de milieuvergunning voorschriften kunnen worden verbonden die de gevolgen voor de volksgezondheid voorkomen dan wel voldoende beperken. [verzoeker] en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat op die manier de risico's voor de gezondheid en het risico op dierziekten niet afdoende zouden kunnen worden beperkt.

2.7. In hetgeen [verzoeker] en de stichting voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011

159-694.