Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
200906791/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Schijndel bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2008".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906791/1/M3.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1](hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Schijndel,

2. [appellant sub 2], wonend te Schijndel,

3. [appellant sub 3], wonend te Schijndel,

4. Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie - afdeling Schijndel, gevestigd te Schijndel (hierna: ZLTO),

5. [appellant sub 5], wonend te Schijndel,

6. [appellant sub 6], wonend te Schijndel,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Schijndel bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2008".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2009, ZLTO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2009, en [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 6 oktober 2009. [appellant sub 6] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 29 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De raad, [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door R. Aartssen, [appellant sub 2], in persoon, ZLTO, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. Mol, [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. H.A. Verbakel-van Bommel, en [appellant sub 6], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, en het college, vertegenwoordigd door P.W.J.M. Corvers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. [appellant sub 3] is niet ter zitting verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door P. Smulders, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Planbeschrijving

2.1. Het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2008" bevat een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000".

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Beroep [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte het perceel aan de [locatie a] niet is opgenomen in het bestemmingsplan. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad bij brief van 9 juli 2008 een toezegging gedaan om het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" zodanig te wijzigen dat de aangebrachte voorzieningen op het perceel niet langer in strijd zijn met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. In het ontwerpplan waren dergelijke wijzingen opgenomen, maar in het uiteindelijke plan zijn de wijzigingen alsnog ten onrechte geschrapt. Voorts heeft het college, volgens [appellant sub 1], ten onrechte overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit een voorkeursrecht op het perceel was gevestigd, omdat het voorkeursrecht bij besluit van 24 februari 2009 is komen te vervallen.

2.3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad in redelijkheid en in afwijking van het ontwerp van het bestemmingsplan ervoor heeft kunnen kiezen om het gebied, waartoe het perceel behoort, niet op te nemen in het herzieningsplan omdat voor dat gebied een afzonderlijk bestemmingsplan zal worden opgesteld met in achtneming van het Masterplan Vlagheide. Daarbij heeft het college betrokken dat de raad door middel van het vestigen van een voorkeursrecht te kennen heeft gegeven op korte termijn te willen starten met het opstellen van een dergelijk plan.

2.3.2. Op het perceel aan de [locatie a] rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" de bestemming "Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven". De raad heeft een grote mate van beleidsvrijheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan en de grenzen daarvan. Het staat de raad vrij om in het bestemmingsplan af te wijken van het ontwerpbestemmingsplan. Anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, bevat de brief van 9 juli 2008 niet een zodanige toezegging dat in dit geval moet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen het perceel niet op te nemen in het bestemmingsplan. Daaraan staat reeds in de weg dat de beweerdelijke toezegging niet is gedaan door het terzake bevoegde gezag, de raad. Dat ten tijde van het bestreden besluit het gevestigde voorkeursrecht, anders dan het college heeft overwogen, was komen te vervallen en het college derhalve daaruit niet kon opmaken dat op korte termijn een bestemmingsplan opgesteld zou worden voor het gebied Vlagheide, waartoe het perceel behoort, doet daaraan niet af. Ter zitting is onweersproken door de raad gesteld dat hij nog steeds voornemens is en daartoe ook stappen gezet heeft de planologische regeling voor het gebied te wijzigen.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 2]

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit" met de nadere aanduiding "reparatie landbouwmachines" voor het perceel aan de [locatie b]. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de activiteiten kleinschalig van aard zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad op een juiste wijze de Beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling (hierna: de Beleidsnota) toegepast. Ten slotte stelt [appellant sub 2] dat aan een metaalbedrijf in het buitengebied met de bestemming "Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit" wel goedkeuring is verleend.

2.5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Beleidsnota om een niet-agrarische activiteit toe te staan.

2.5.2. Volgens de Beleidsnota is vanuit het oogpunt van zuinig omgaan met de beperkt beschikbare ruimte in het buitengebied het hergebruiken van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid slechts toelaatbaar in bebouwingsconcentraties. Niet in geschil is dat het perceel aan de [locatie b] niet in een bebouwingsconcentratie ligt. Reeds gelet hierop heeft het college terecht overwogen dat niet is voldaan aan de in de Beleidsnota gestelde voorwaarden.

Voorts is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat het door [appellant sub 2] bedoelde metaalbedrijf in een bebouwingconcentratie ligt, zodat het geen in relevant opzicht gelijk geval betreft. Nu [appellant sub 2] voor het overige niet heeft onderbouwd dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit", faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 6]

2.7. [appellant sub 6] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit" met de nadere aanduiding "vleesbewerking" voor het perceel aan de [locatie c]. Hiertoe voert hij aan dat de huidige activiteiten kunnen worden beschouwd als aan het buitengebied gebonden activiteiten omdat vlees ter plaatse wordt versneden en bewerkt. Tevens voert [appellant sub 6] aan dat de activiteiten plaatsvinden in een schuur die reeds lange tijd aanwezig is op het perceel en dat door de vleesbewerking het uiterlijk hiervan niet is veranderd.

2.7.1. Het college stelt dat goedkeuring moest worden onthouden aan de bestemming "Wonen met niet-agrarische nevenactiviteit" omdat het versnijden en bewerken van vlees voor de verkoop naar zijn aard niet gebonden is aan het buitengebied, maar een activiteit is die past op een bedrijventerrein of in een bebouwingsconcentratie. Volgens het college wordt niet voldaan aan de in de Beleidsnota gestelde voorwaarden voor het toestaan van een niet-agrarische activiteit.

2.7.2. Gelet op overweging 2.5.2 kunnen volgens de Beleidsnota slechts niet-agrarische activiteiten worden toegestaan in een bebouwingsconcentratie. Niet in geschil is dat het onderhavige perceel niet in een bebouwingsconcentratie ligt. Reeds gelet hierop heeft het college terecht overwogen dat niet is voldaan aan de in de Beleidsnota gestelde voorwaarden.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beroep [appellant sub 5]

2.9. [appellant sub 5] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch bouwblok" op het perceel aan de [locatie d]. Hij voert hiertoe aan dat ingevolge het herzieningsplan ten onrechte geen nevenactiviteit voor het verrichten van detailhandelsactiviteiten bij recht is toegestaan. [appellant sub 5] stelt sinds 1975 op het perceel onafgebroken een fruit- en groentewinkel te exploiteren, waar onder meer producten worden verkocht die niet afkomstig zijn van het agrarische bedrijf van [appellant sub 5]. Dit gebruik zal in de komende planperiode niet worden beëindigd. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009 (in zaak nr. 200803975/1) dient het langdurige gebruik van het perceel als fruit- en groentewinkel als zodanig te worden bestemd, aldus [appellant sub 5]. De in het herzieningsplan opgenomen vrijstellingsregeling is ontoereikend omdat deze alleen betrekking heeft op verbrede landbouw. Een assortiment met onder meer producten anders dan streekproducten, is van belang voor het voortbestaan van de winkel, aldus [appellant sub 5].

2.9.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat niet-agrarische nevenactiviteiten terecht niet zonder meer zijn toegestaan ingevolge het bestemmingsplan, nu die activiteiten niet passen in het buitengebied. De raad wil onder bepaalde voorwaarden niet-agrarische nevenactiviteiten toestaan en heeft om die reden een vrijstellingsregeling opgenomen voor verbrede landbouw.

2.9.2. Artikel 8.4.4 van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders, onder voorwaarden, vrijstelling kunnen verlenen teneinde een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan te kunnen inrichten en gebruiken voor de verbrede landbouw.

Artikel 1, onder 64, bepaalt dat onder verbrede landbouw wordt verstaan het ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten op een agrarisch bouwblok, die ruimtelijk inpasbaar zijn en verbonden aan de bestaande en te behouden agrarische bedrijfsvoering. De verkoop van streekproducten is een vorm van een dergelijke bedrijfsmatige nevenactiviteit.

Artikel 1, onder 58, bepaalt dat onder streekproducten wordt verstaan voedings- en genotmiddelen, waarvan de grondstoffen in hoofdzaak afkomstig zijn uit de gebieden Het Groene Woud en/of Maas en Meierij en binnen deze gebieden zijn geproduceerd dan wel vergelijkbare streekeigen producten uit andere regio's binnen Nederland.

2.9.3. [appellant sub 5] exploiteert een fruitteeltbedrijf op het perceel aan de [locatie d]. Op dit perceel rust de bestemming "Agrarisch bouwblok". Het bestaande gebruik is daarmee grotendeels toegestaan. Slechts de aan de agrarische bedrijfsactiviteiten ondergeschikte exploitatie van een fruit- en groentewinkel is niet als zodanig bestemd in het plan. De raad heeft niet-agrarische nevenactiviteiten niet zonder meer willen toestaan in het buitengebied omdat dit niet past in het gebied. Naar aanleiding van de zienswijzen van [appellant sub 5] heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld in die zin dat niet-agrarische nevenactiviteiten onder voorwaarden door middel van een vrijstellingsregeling kunnen worden toegestaan. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft mogen instemmen met de beslissing van de raad om te besluiten de niet-agrarische nevenactiviteit slechts door middel van een vrijstellingsregeling toe te staan. De door [appellant sub 5] genoemde uitspraak van 4 maart 2009 betreft de situatie dat het hoofdgebruik van een perceel niet als zodanig is bestemd, het hoofdgebruik onder het voorgaande bestemmingsplan als zodanig bestemd was en de raad dat hoofdgebruik niet wenste te beëindigen. Een dergelijke situatie doet zich thans niet voor.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beroep ZLTO

2.11. ZLTO betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Volgens ZLTO zijn intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden ten onrechte slechts toegestaan tot 1,5 hectare. In de Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij (hierna: de Handleiding) is bepaald dat een bestaand bouwblok kan worden uitgebreid tot een maximale omvang van 2,5 hectare, aldus ZLTO.

2.11.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat op grond van het Reconstructieplan Meierij, waar de Handleiding als ondersteuning voor bedoeld is, een veehouderij groter dan 1,5 hectare niet zonder meer is toegestaan.

2.11.2. Artikel 3.2.4., aanhef en onder b, van de planvoorschriften bepaalt dat vergroting van de op kaart 2 met "IV intensieve veehouderij" aangeduide bouwblokken is toegestaan tot 1,5 hectare, indien het bouwblok is gelegen binnen de op kaart 1 als V (verwevingsgebied) aangewezen gebieden, mits de locatie kan worden aangewezen als duurzame locatie.

2.11.3. Volgens paragraaf 4.1.1 van het Reconstructieplan zijn in verwevingsgebieden bouwblokken tot 1,5 hectare mogelijk, met in achtneming van bepaalde voorwaarden. De toekenning of uitbreiding van bouwblokken boven de 1,5 hectare is op grond van het Reconstructieplan niet rechtstreeks mogelijk. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft mogen instemmen met de beslissing van de raad om, gelet op het gestelde in het Reconstructieplan, intensieve veehouderijen slechts toe te staan tot 1,5 hectare. Overigens is ter zitting onweersproken door de raad gesteld dat de omvang van de concrete bouwblokken voor intensieve veehouderijen in overleg met de betrokken agrariërs is vastgesteld.

Het betoog faalt.

2.12. ZLTO betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan paragraaf 4.4 van de planvoorschriften. Volgens ZLTO is een toets op landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen en kuilplaten niet nodig in het kader van de vrijstellingsregeling, omdat dergelijke voorzieningen eigen zijn aan de agrarische hoofdfunctie van de bestemming en derhalve deel uitmaken van de ruimtelijke uitstraling van het gebied.

2.12.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat teeltondersteunende voorzieningen en kuilplaten geen voorzieningen zijn die eigen zijn aan de agrarische hoofdfunctie. Volgens de raad hebben dergelijke voorzieningen een zodanige ruimtelijke uitstraling dat deze alleen zijn toegestaan indien aan bepaalde criteria, die de gevolgen daarvan voor de omgeving beperken, wordt voldaan.

2.12.2. In paragraaf 4.4 van de planvoorschriften is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in paragraaf 4.3. Daarin is geregeld welke bebouwing is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". In de artikelen 4.4.4 (teeltondersteunende voorzieningen) en 4.4.5 (kuilvoerplaten) is geregeld aan welke vereisten moet zijn voldaan om ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen en kuilvoerplaten vrijstelling te verlenen. Zo dienen onder meer de bouwwerken qua vormgeving, materiaalgebruik en door het aanbrengen van gebiedseigen beplanting te worden ingepast in het landschap.

2.12.3. Het college heeft kunnen instemmen met de beslissing van de raad om teeltondersteunende voorzieningen en kuilvoerplaten niet zonder meer toe te staan, maar daarvoor een vrijstellingsregeling in het bestemmingsplan op te nemen. Het heeft met de raad dergelijke bouwwerken vanwege hun ruimtelijke uitstraling niet zonder meer passend in het buitengebied kunnen achten. De gestelde criteria zien op de inpasbaarheid van de bouwwerken en het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat bedoelde criteria waaraan moet zijn voldaan om vrijstelling te verlenen, in het bestemmingsplan konden worden opgenomen.

Het betoog faalt.

2.13. ZLTO betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het aanlegvergunningenstelsel dat is opgenomen met betrekking tot gronden met een agrarische bestemming, die tevens bestemd zijn voor behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Volgens ZLTO zijn ter plaatse de cultuurhistorische en landschappelijke waarden verdwenen.

2.13.1. Het college stelt dat het in het plan opgenomen aanlegvergunningenstelsel is gekoppeld aan een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden op gronden met nader omschreven aanduidingen waardoor het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk is om per geval te beoordelen of de voorgenomen werkzaamheden toelaatbaar zijn in relatie tot de binnen deze bestemming beoogde doeleinden.

2.13.2. ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat in de desbetreffende delen van het buitengebied cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig zijn. Gelet op hetgeen is aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de beslissing van de raad het bedoelde aanlegvergunningenstelsel op te nemen in het bestemmingsplan.

2.14. ZLTO betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 8.2.2, sub a, van de planvoorschriften. ZLTO voert hiertoe aan dat het onnodig bezwarend is voor alle bebouwing een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te verlangen. Tevens voert ZLTO aan dat het begrip 'bebouwing' in het artikel onduidelijk is.

2.14.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen nodig is om ten behoeve van een zuinig gebruik van de ruimte voorafgaand aan het verlenen van een bouwvergunning de noodzaak van de bebouwing vast te stellen.

2.14.2. Artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat op de tot 'agrarische bouwblok' bestemde gronden uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hierbij dient aan het volgende de worden voldaan: de noodzaak van de op te richten bedrijfsbebouwing voor de bedrijfsvoering en de continuïteit van het agrarisch bedrijf zal moeten blijken uit een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

2.14.3. Met het gestelde in artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften tot het vooraf beoordelen van de noodzaak van bedrijfsgebouwen wordt, gelet op het uitgangspunt dat zuinig moet worden omgegaan met beschikbare ruimte, een ruimtelijk belang gediend. In hetgeen ZLTO heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat een dergelijke adviesplicht voor bedrijfsgebouwen onnodig bezwarend is.

Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat niet is beoogd te regelen dat voor alle bedrijfsbebouwing, ook kleine bouwwerken, een dergelijke adviesplicht geldt. Het begrip 'bedrijfsbebouwing' in het artikel omvat echter, nu het niet is gedefinieerd, zowel bedrijfsgebouwen als bedrijfsbouwwerken, die geen gebouwen zijn. Het besluit is derhalve wat betreft de goedkeuring van artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.14.4. De conclusie is dat het beroep van ZLTO wat betreft artikel 8.2.2, aanhef en onder a, gegrond is, zodat het bestreden besluit wat betreft de goedkeuring van artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door alsnog goedkeuring te onthouden aan dat artikelonderdeel.

Hetgeen ZLTO voor het overige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Beroep [appellant sub 3]

2.15. [appellant sub 3] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 9.2.2, onder b, van de planvoorschriften. Hiertoe voert hij aan dat niet duidelijk is of vervangende nieuwbouw kan worden gepleegd met behoud van het huidige bouwvolume. Tevens is niet duidelijk of het stalgedeelte van zijn woonboerderij, dat nu niet gebruikt wordt als woongedeelte, tot de woning gerekend moet worden, aldus [appellant sub 3] .

2.15.1. Artikel 9.2.2., onder b, van de planvoorschriften bepaalt dat woningen die ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan een inhoud hebben van meer dan 600 m3, worden geacht te voldoen aan het plan, maar, behoudens het na dit artikelonderdeel bepaalde, niet mogen worden vergroot.

2.15.2. Ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" is artikel 9.2.2., onder b, slechts gewijzigd wat betreft het bouwvolume van 500 m3 naar 600 m3, waardoor een groter bouwvolume is toegestaan. De gronden die [appellant sub 3] aanvoert, zien niet op de in het herzieningsplan opgenomen wijziging maar betreffen het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" dat in rechte onaantastbaar is en dat in deze procedure niet ter beoordeling staat.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.17. Het college dient ten aanzien van ZLTO op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie - afdeling Schijndel gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 14 juli 2009, kenmerk 1499450, voor zover goedkeuring is verleend aan artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep van Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie - afdeling Schijndel voor het overige ongegrond en de overige beroepen geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie - afdeling Schijndel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie - afdeling Schijndel het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

163-688.