Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201103079/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft het college een door [verzoeker] aangevraagde ontheffing op grond van artikel 10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer verleend, en een door hem aangevraagde ontheffing op grond van artikel 8, eerste lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.63
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:29
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103079/2/H4.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te Bosch en Duin, gemeente Zeist,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft het college een door [verzoeker] aangevraagde ontheffing op grond van artikel 10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer verleend, en een door hem aangevraagde ontheffing op grond van artikel 8, eerste lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 geweigerd.

Hiertegen hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2011, beroep ingesteld.

De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 april 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2011, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201103080/2/H4 ter zitting behandeld op 29 juni 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. Ch.G.A. van Rijckevorsel, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. K.M. Betten, J.D. Berkhof en mr. H.S. Heite, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling De Bilt en omstreken, vertegenwoordigd door P.B. Greeven, de vereniging Vrienden van de Biltse Duinen, vertegenwoordigd door C.J. van Leeuwen, [partij A], vertegenwoordigd door P.B. Greeven, [partij B], in persoon, en [partij C], in persoon, als partij gehoord.

Na zitting is de zaak gesplitst van zaak nr. 201103080/2/H4.

2. Overwegingen

2.1. Door het college is toepassing gegeven aan de coördinatieregeling van paragraaf 3.5.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Uit artikel 3:29, eerste lid, van de Awb volgt dat, indien tegen een of meer van de met toepassing van deze paragraaf gecoördineerd voorbereide besluiten beroep open staat bij de rechtbank, tegen alle besluiten beroep open staat bij de rechtbank. Tegen een besluit over ontheffing op grond van artikel 8, eerste lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 staat ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Awb beroep open bij de rechtbank. Gelet hierop is de rechtbank naar het oordeel van de voorzitter bevoegd kennis te nemen van het beroep. De voorzitter gaat er van uit dat de Afdeling zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van het beroep.

2.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. De voorzitter zal het verzoek, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht doorzenden.

2.3. De voorzitter ziet aanleiding te bepalen dat het door [verzoekers] betaalde griffierecht voor de behandeling van de voorlopige voorziening door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

462-584.