Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201102730/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2011 heeft het college de voorschriften verbonden aan de bij besluit van 26 mei 1997 krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting aan de Kwinkweerd 7 te Lochem verleende vergunning ingetrokken en nieuwe voorschriften aan deze vergunning verbonden.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/48 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

201102730/2/H4.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mebin B.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2011 heeft het college de voorschriften verbonden aan de bij besluit van 26 mei 1997 krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting aan de Kwinkweerd 7 te Lochem verleende vergunning ingetrokken en nieuwe voorschriften aan deze vergunning verbonden.

Tegen dit besluit heeft Mebin B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, heeft

Mebin B.V. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juni 2011, waar Mebin B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. J. Wildschut, en door

J. Steintjes, en het college, vertegenwoordigd door mr. dr. C. Raat en

ing. M. Remmerde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Mebin B.V. kan zich niet verenigen met de bij het bestreden besluit gestelde voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.6, waaruit voortvloeit dat zij voor vliegas over een acceptatie- en verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken. In de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.6 is de vliegas gekwalificeerd als afvalstof. Volgens haar zijn deze voorschriften onredelijk bezwarend, omdat een AV-beleid en AO/IC-systeem veel werk is en aanzienlijke kosten met zich brengt, terwijl volgens haar vaststaat dat vliegas geen afvalstof is. Ter onderbouwing van haar standpunt dat vliegas geen afvalstof is, verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2005 met zaak nr. 200409207/1 en het in die zaak opgestelde deskundigenbericht.

2.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of vliegas een afvalstof is. De voorzitter is van oordeel dat deze procedure zich niet leent voor de beantwoording van deze vraag. In het kader van de bodemprocedure dient dit nader te worden onderzocht. Gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van 11 november 2005, en hetgeen is vermeld in het deskundigenbericht in die zaak, acht de voorzitter het op voorhand echter niet onaannemelijk dat vliegas niet het karakter heeft van een afvalstof. Nu de inrichting voorts reeds jaren in werking is zonder een AV-beleid en AO/IC-systeem voor vliegas en ter zitting niet aannemelijk is geworden dat deze bestendige praktijk tot onaanvaardbare situaties heeft geleid, alsmede dat Mebin B.V. ter zitting heeft verklaard uitsluitend gecertificeerd vliegas te ontvangen en te verwerken, acht de voorzitter de gevolgen voor het milieu op voorhand niet zodanig dat onmiddellijke uitvoering van de in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.6 voorgeschreven maatregelen noodzakelijk is.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 januari 2011, kenmerk 2010-006738/MPM19853, voor zover het de vergunningvoorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.6 betreft;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mebin B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mebin B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

462-584.