Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
201006108/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer op verzoek van Ceres Paragon Terminals B.V. (thans Amsterdam Container Terminals B.V.) voorschrift H-2 van de op 2 mei 2001 aan haar verleende vergunning voor een inrichting voor de overslag van containers met koopmansgoederen en gevaarlijke stoffen en de opslag, ontgassing, begassing, reiniging en reparatie van containers aan de Ruijgoordweg 100 te Amsterdam vernummerd tot voorschrift A-1, dit voorschrift gewijzigd en daarnaast nieuwe voorschriften A-2 tot en met A-13 aan deze vergunning verbonden. Dit besluit is op 14 mei 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006108/1/M1.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

2. [appellanten sub 2], wonend te Assendelft, gemeente Zaanstad,

en

het college van burgmeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer op verzoek van Ceres Paragon Terminals B.V. (thans Amsterdam Container Terminals B.V.) voorschrift H-2 van de op 2 mei 2001 aan haar verleende vergunning voor een inrichting voor de overslag van containers met koopmansgoederen en gevaarlijke stoffen en de opslag, ontgassing, begassing, reiniging en reparatie van containers aan de Ruijgoordweg 100 te Amsterdam vernummerd tot voorschrift A-1, dit voorschrift gewijzigd en daarnaast nieuwe voorschriften A-2 tot en met A-13 aan deze vergunning verbonden. Dit besluit is op 14 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2010, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2011, waar [appellanten sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.M. Karssen-Hoogerwerf, J. Oe, M. Hillebregt en V. Fournadjiev, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amsterdam Container Terminals B.V., vertegenwoordigd door ir. R. Witte en S. Capelle, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 2] voert aan dat de op grond van de Wet geluidhinder geldende zone van het industrieterrein Westpoort waarop de inrichting is gevestigd, wordt overschreden. Hij stelt dat de geluidniveaus bij zijn woning 's nachts meer dan 45 dB(A) bedragen. Hij voert in dat verband aan dat het bedrijf een 24-uursbedrijf is, zodat het gemiddelde geluidniveau in de nacht ook meer dan 40 dB(A) zal bedragen. Volgens hem betreft het laagfrequent geluid, dat tot stress en lichamelijke klachten kan leiden. [appellanten sub 1] keren zich tegen de werktijden die het mogelijk maken dat ook 's nachts wordt gewerkt.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt onder geluidbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein verstaan de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein.

Ingevolge artikel 1 van het meet- en rekenvoorschrift industrielawaai wordt onder het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau verstaan het equivalente geluidsniveau als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat de Wet geluidhinder grenzen stelt aan het equivalente geluidniveau veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein. Het bestreden besluit heeft uitsluitend betrekking op de voorschriften voor het maximale geluidniveau en niet op de werktijden, het laagfrequent geluid, of de geluidbelasting vanwege een industrieterrein. Deze grond faalt in zoverre. Voor zover [appellanten sub 2] aanvoert dat het langtijdgemiddelde geluidniveau hoger is dan in de vergunning is toegestaan, faalt deze grond eveneens, omdat het besluit geen betrekking heeft op het langtijdgemiddelde geluidniveau.

2.3. [appellanten sub 2] voert aan dat het geluidniveau niet berekend moet worden, maar gemeten. Hij voert aan dat het geluidmodel niet klopt.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat het college niet gehouden was het geluidniveau te meten, te minder nu [appellanten sub 2] niet heeft gemotiveerd dat het geluidmodel niet juist is. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten sub 2] voert aan dat de geluidniveaus bij zijn woning 's nachts meer dan 45 dB(A) bedragen en dat dit hoger is dan volgens de vergunning en het bestemmingsplan is toegestaan. [appellanten sub 1] voeren aan dat ze last hebben van geluidoverlast, doordat het mogelijk is dat ook 's nachts containerschepen met draaiende motoren gelost worden. Daarmee wordt volgens hen een inbreuk op het leefklimaat en het woongenot gemaakt.

2.4.1. Het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift A-1 bepaalt dat het maximale A-gewogen geluidsniveau (Lamax) in de representatieve bedrijfssituatie, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen in installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten op de volgende meetpunten niet meer is dan:

- 60 dB(A)op de gevel van de woningen aan de Overtoom 59, de Veldweg 101 en de Veldweg 301, alle te Westzaan

- 59 dB(A) op de gevel van de woningen Machineweg 14 en de Machineweg 19, beide te Halfweg

- 72 dB(A) op meetpunt A. De ligging van dit meetpunt is aangegeven in het bij de beschikking met het nummer B01/0052 MD 2000 behorende akoestisch onderzoeksrapport nr. 15081-5, in figuur 1.

2.4.2. Het college heeft aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, omdat de Wet geluidhinder geen regeling voor maximale geluidniveaus kent. Daarbij heeft het college betrokken dat het speciaal vestigingsklimaat op een gezoneerd industrieterrein niet moet worden doorkruist. Volgens de Handreiking moet worden gestreefd naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB(A) boven de aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus liggen. In de gevallen waarin aan deze streefwaarde niet kan worden voldaan, kunnen hogere maximale geluidniveaus worden vergund tot 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bovendien is voor de nachtperiode een ontheffing mogelijk tot 65 dB(A).

Het college stelt zich op het standpunt de aangevraagde verruiming van de grenswaarden voor het maximale geluidniveau voldoet aan de volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening aanvaardbaar geachte waarde van 60 dB(A), zodat een beperking van de werktijden niet nodig is.

2.4.3. De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten. Deze beroepsgrond faalt.

Voor zover [appellanten sub 2] aanvoert dat de normen voor het maximale geluidniveau in de nacht bij zijn woning worden overschreden, nu dit geluidniveau hoger is dan 45 dB, overweegt de Afdeling dat ingevolge voorschrift A-1 het maximale geluidniveau vanwege de inrichting niet meer mag bedragen dan 60 onderscheidenlijk 59 dB(A) op de gevel van enkele woningen te Westzaan onderscheidenlijk op de gevel van enkele woningen te Halfweg, welke woningen dichter bij de inrichting zijn gelegen dan zijn woning. Volgens het deskundigenbericht is het op basis van metingen en berekening aannemelijk dat de normen kunnen worden nageleefd. De Afdeling ziet geen aanleiding op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Gelet hierop faalt deze grond.

2.5. [appellanten sub 2] stelt dat er ten onrechte niet wordt gehandhaafd.

2.5.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011

433.