Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR2054

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
201103441/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overweging van de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen duidelijk naar voren komt dat sprake was van een controle in het kader van de Wav en dat de vreemdeling in dat verband naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd, is in hoger beroep niet betwist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak nr. 200202606/1, AB 2002, 430), staat de rechtmatigheid van een controle ter uitvoering van de Wav niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter.

Gelet op het feit dat het verzoek om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan ter controle op de naleving van de Wav en uit het proces verbaal van bevindingen blijkt dat de vreemdeling desgevraagd een Turkse identiteitskaart heeft overgelegd waaruit zijn verblijfsrechtelijke positie niet blijkt, is gebleken van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling ten onrechte op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103441/1/V3.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 maart 2011 in zaak nr. 11/6689 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1.Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ten onrechte op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is staandegehouden. Daartoe voert de minister aan dat de vreemdeling, nadat hem door de verbalisant herhaaldelijk is verzocht zich in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) te legitimeren, slechts een Turks identiteitsbewijs heeft overgelegd. Nu een Turks identiteitsbewijs niet kan worden aangemerkt als een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en voorts is gesteld noch gebleken dat de vreemdeling voorafgaand aan de staandehouding overigens over een dergelijk document beschikte, dient een redelijk vermoeden van illegaal verblijf te worden verondersteld, aldus de minister.

2.1.1. Volgens een daarvan op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal is de vreemdeling op 24 februari 2011 om 19.00 uur staandegehouden op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen vermeldt daaromtrent het volgende:

"Op donderdag 24 februari 2011 omstreeks 18.55 uur waren wij, verbalisanten, in uniform gekleed en met districtssurveillancedienst belast en fietsten over de [straat]. Ter hoogte van koffiehuis [koffiehuis], [adres] te Amsterdam zagen wij dat er in het koffiehuis een man achter de balie stond en bezig was koffie in te schenken. Wij keken gedurende een minuut naar binnen door de voorruiten en zagen dat de man die achter de balie stond ook een koffiekan oppakte en koffie inschonk en vervolgens de koffiekan op de balie zette. Hierop besloten wij, verbalisanten, een controle op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen te gaan doen. (…) Eenmaal binnen zagen wij dat de man die achter de bar stond en koffie inschonk voor klanten de koffie ook naar een klant bracht welke aan een tafeltje zat. De man die de koffie naar de klant bracht bleek te zijn genaamd:

[de vreemdeling] geboren op [datum] 1955 te [plaats], wonende [adres], [postcode] te Amsterdam.

Wij, verbalisanten, zagen dat [de vreemdeling] de koffie neerzette en wederom achter de balie plaatsnam. (…) Ik, eerste verbalisant, vroeg [de vreemdeling] naar een geldig op zijn naam staand legitimatiebewijs. In eerste instantie begreep [de vreemdeling] kennelijk niet wat er gevraagd werd maar na herhaaldelijke verzoeken om een identiteitsbewijs kwam een beduimeld exemplaar van een Turks identiteitsbewijs uit zijn broekzak. Daar wij, verbalisanten, twijfels hadden over het rechtmatig verblijf van [de vreemdeling] hebben wij hem vervolgens op donderdag 24 februari 2011 te 19.00 uur staandegehouden."

2.1.2. De overweging van de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen duidelijk naar voren komt dat sprake was van een controle in het kader van de Wav en dat de vreemdeling in dat verband naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd, is in hoger beroep niet betwist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak nr. 200202606/1, AB 2002, 430), staat de rechtmatigheid van een controle ter uitvoering van de Wav niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter.

Gelet op het feit dat het verzoek om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan ter controle op de naleving van de Wav en uit het proces verbaal van bevindingen blijkt dat de vreemdeling desgevraagd een Turkse identiteitskaart heeft overgelegd waaruit zijn verblijfsrechtelijke positie niet blijkt, is gebleken van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling ten onrechte op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 februari 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.3. De vreemdeling betoogt dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde omstandigheden, mede gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a en b, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn), geen grond geven voor het oordeel dat hij zijn verwijdering ontwijkt of belemmert. Daartoe voert de vreemdeling aan dat hij identiteitspapieren heeft overgelegd en hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft, omdat hij een vriendin heeft. Voorts wijst hij op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 2009, C-357/09 PPU, Kadzoev (hierna: het arrest-Kadzoev; www.curia.europa.eu).

2.3.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling

-niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000,

-geen vaste woon- of verblijfplaats heeft,

-zich niet heeft aangemeld bij de korpschef,

-eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

2.3.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. Verder is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, heeft overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 – voor zover nodig – richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de richtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2011 in zaak nr. 201101086/1/V3, www.raadvanstate.nl) dient bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister – ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins – ten aanzien van deze omstandigheden heeft gegeven en – in samenhang daarmee – met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

In dit geval heeft de minister er ter zitting van de rechtbank op gewezen dat de vreemdeling eerder in 1991 en 1993 door Nederland is uitgezet en in 2000 is teruggekeerd naar Nederland. De vreemdeling heeft de stellingen van de minister dat hij reeds eerder door Nederland is uitgezet en hij niet is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie niet betwist. Voorts heeft de vreemdeling met de enkele, niet nader onderbouwde stelling dat hij een vriendin heeft niet aangetoond dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Reeds nu de geldigheidsduur van het door de vreemdeling overgelegde Turks paspoort en van de Turkse identiteitskaart was verlopen, mocht de omstandigheid dat hij niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Mede in het licht van het voorgaande kan uit de onder 2.3.1. genoemde omstandigheden worden afgeleid dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling betoogt dat de minister met een lichter middel dan bewaring had moeten volstaan. Daartoe voert hij aan dat hij een identiteitskaart heeft overgelegd en een vaste woon- of verblijfplaats heeft. In dat kader stelt de vreemdeling dat aan zijn vriendin had moeten worden gevraagd of zij bereid is hem onderdak te bieden. Voorts verblijft hij reeds meer dan tien jaar in Amsterdam en heeft hij geen criminele antecedenten, aldus de vreemdeling.

2.4.1. Zoals hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, bestaat aanleiding aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt. Met het betoog dat aan zijn vriendin had moeten worden gevraagd of zij bereid is hem onderdak te bieden, heeft de vreemdeling niet aangetoond een vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Dat de vreemdeling stelt meer dan tien jaar in Amsterdam te verblijven en geen criminele antecedenten te hebben, zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van de vreemdeling geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De vreemdeling klaagt dat hem geen vertrektermijn is gegund en hij daarom niet in bewaring mocht worden gesteld.

2.5.1. Het betoog wordt aldus begrepen dat dit is gericht tegen het terugkeerbesluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3; www.raadvanstate.nl) staat, nu in dit geval los van de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen, het rechtsmiddelenstelsel van de Vw 2000 thans eraan in de weg dat de bewaringsrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Aan deze grond wordt dan ook voorbij gegaan.

2.6. Gelet op het vorengaande, zal de Afdeling het door de vreemdeling tegen het besluit van 25 februari 2011 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 maart 2011 in zaak nr. 11/6689;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

307-633.

Verzonden: 13 juli 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser