Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201009358/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2010, kenmerk SO 10.033600, heeft de raad het bestemmingsplan "HOV om de Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201009358/1/R2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Utrecht,

en

1. de raad van de gemeente Utrecht,

2. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2010, kenmerk SO 10.033600, heeft de raad het bestemmingsplan "HOV om de Zuid" vastgesteld.

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college een bouwvergunning verleend voor de bouw van een HOV-lijn met station en diverse onderdoorgangen tussen de Adema van Scheltemabaan en het Oude Houtensepad.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college met toepassing van artikel 83 van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de HOV-baan en de reconstructie van de Weg tot de Wetenschap.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2010, heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2011, waar [appellante], in persoon, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, werkzaam bij Royal Haskoning, en door G.J. van Dijkhuizen en H.G. Stuit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prorail B.V., vertegenwoordigd door mr. J.R.M. van der Poel en M.C. Frumau, beiden werkzaam bij Prorail, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De besluiten van 29 juni 2010, 12 augustus 2010 en 28 juni 2010 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

2.2. Met het bestemmingsplan "HOV om de Zuid" wordt de aanleg van een groot deel van een trambaan van het Centraal Station Utrecht richting De Uithof mogelijk gemaakt. De trambaan maakt onderdeel uit van een netwerk voor Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) in Utrecht.

2.3. Vooropgesteld wordt dat, gelet op de in het beroepschrift aangevoerde gronden, [appellante] zich in beroep alleen richt tegen het besluit van 29 juni 2010 waarbij het bestemmingsplan "HOV om de Zuid" is vastgesteld. Zij voert onder meer aan dat het vastgestelde plan niet volledig en met een verkeerde bijlage elektronisch beschikbaar is gesteld. Deze beroepsgrond - wat daar ook van zij - heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Voorts wordt voorbij gegaan aan het bezwaar van [appellante] dat de plantoelichting ten onrechte niet is aangepast aan de omstandigheid dat het plan niet langer via een wijzigingsbevoegdheid maar bij recht in de bouw van een parkeergarage voorziet. De plantoelichting is in tegenstelling tot de planregels en de verbeelding niet bindend, zodat eventuele onjuistheden in de plantoelichting dan ook niet hoeven te leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Verder begrijpt de Afdeling het betoog van [appellante], dat ten onrechte geen bezwaar kon worden gemaakt tegen die plandelen die gewijzigd zijn vastgesteld, aldus dat volgens haar ten onrechte tegen die plandelen geen zienswijze naar voren kon worden gebracht. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Gesteld noch gebleken is dat de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Dit betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat in het plan ten onrechte wordt uitgegaan van de aanleg van een trambaan, terwijl daarover nog geen definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden in de gemeenteraad.

In de stukken en ter zitting heeft de raad uitdrukkelijk gesteld dat het plan alleen voorziet in de aanleg van een trambaan. Gelet op de artikelen 7.1, onder a, en 8.1, onder a, van de planregels maakt het onderhavige plan alleen de aanleg van een trambaan mogelijk, zodat in de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken terecht alleen is uitgegaan van de realisatie van een trambaan. Aan het betoog van [appellante] voor zover gericht tegen de busbaan wordt dan ook niet toegekomen.

2.5. Volgens [appellante] heeft de raad ten onrechte voor de variant Noordligging, langs de Vaartsestraat en de Pelikaanstraat, gekozen als tracé van de trambaan. Zij stelt dat een trambaan aan de zuidwestkant van het spoor, de variant Gesplitste zijligging, tot minder overlast voor omwonenden leidt. In dit verband voert [appellante] aan dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de ligging en ontwikkeling van overige trambanen en met de aansluiting van de trambaan op het overige openbaar vervoer ter hoogte van het centraal station Utrecht.

2.5.1. In de aanloop naar de vaststelling van het plan is onderzoek gedaan naar een aantal tracévarianten, waarbij naast de gevolgen voor omwonenden ook rekening is gehouden met aspecten zoals tijdsplanning, kosten, vervoerswaarde en ruimtelijke inpassing. In bijlage 14 van de plantoelichting is de ruimtelijke onderbouwing van de tracékeuze voor de Noordligging weergegeven die in het onderhavige plan is uitgewerkt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad voor de variant Noordligging heeft gekozen omdat daarmee minder kosten zijn gemoeid, omdat dit uit vervoersoogpunt een beter alternatief is nu het aantal ongelijkvloerse kruisingen kleiner is dan bij de variant Gesplitste zijligging en omdat het bestaande wegprofiel van de Pelikaanstraat kan worden gehandhaafd. Daarnaast levert de gecoördineerde aanleg van de trambaan en de spooruitbreiding door Prorail een grote besparing op en wordt de bouwoverlast voor omwonenden beperkt. Gelet op het vorenstaande en nu uit de stukken verder duidelijk is geworden dat bij het vaststellen van het tracé rekening is gehouden met de aanleg van andere trambanen in de stad Utrecht en met de aansluiting op het overige openbaar vervoer, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] in zoverre heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen van de alternatieven onvoldoende heeft bezien en dat de door de raad gemaakte belangenafweging zodanig onevenwichtig is dat de raad reeds hierom niet in redelijkheid tot de keuze van het tracé heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat het plan in strijd is met het bomenbeleid van de gemeente Utrecht.

Met het bomenbeleid wordt beoogd een samenhangende bomenstructuur voor de stad Utrecht te ontwikkelen en te verbeteren.

Niet in geschil is dat voor de aanleg van de trambaan bomen moeten worden verplant en gekapt. De raad heeft verklaard en ter zitting opnieuw bevestigd dat de bomen die niet kunnen worden gehandhaafd, zullen worden gecompenseerd. Anders dan [appellante] stelt hoeft deze compensatie niet plaats te vinden binnen het plangebied. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het bomenbeleid.

2.7. Verder voert [appellante] aan dat het plan leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit en tot geluidsoverlast, trillinghinder en schaduwwerking waardoor het plan een onaanvaardbare aantasting van haar woon- en leefklimaat met zich brengt.

2.7.1. In opdracht van de gemeente Utrecht is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Vertramming HOV Om de Zuid, De Uithof", van 15 juni 2009, en in het rapport "Beoordeling luchtkwaliteit Parkeergarage Vaartsche Rijn t.b.v. Bestemmingsplan HOV om de Zuid", van 29 maart 2010. Uit deze onderzoeken blijkt dat de luchtkwaliteit ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkeling niet verslechtert. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het onderzoek ten onrechte er van is uitgegaan dat de parkeergarage met name zal worden gebruikt door bestaande gebruikers van het gebied, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de garage. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de luchtkwaliteitrapporten zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad deze niet in redelijkheid aan de vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de eisen inzake luchtkwaliteit niet aan de vaststelling van het plan in de weg staan.

2.7.2. Verder twijfelt [appellante] aan de juistheid van het door de raad aan het besluit ten grondslag gelegde geluidonderzoek. Volgens haar wordt in dit onderzoek ten onrechte er van uitgegaan dat de cumulatieve geluidbelasting van de spoorverdubbeling en de aanleg van de trambaan tot een lagere geluidbelasting leidt dan de geluidbelasting van de spooruitbreiding waarvan in het tracébesluit is uitgegaan. Bovendien wordt in het onderzoek als uitgangspunt gehanteerd dat gebruik wordt gemaakt van stil trammaterieel, terwijl niet zeker is dat dit wordt ingezet.

2.7.2.1. In opdracht van de raad is door Movares onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege de in het plan voorziene trambaan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Geluidonderzoek HOV Utrecht Tram om de Zuid", van 14 december 2009. Volgens dit onderzoek moeten voor de woningen aan onder meer de Pelikaanstraat hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld. Deze waarden zijn bij besluit van 28 juni 2010 vastgesteld.

Het betoog van [appellante] dat in het onderzoek niet kon worden uitgegaan van stil trammaterieel, omdat niet zeker is dat dit daadwerkelijk wordt ingezet, faalt. Ingevolge artikel 7.4, onder a, van de planregels is het gebruik van de trambaan alleen toegestaan overeenkomstig of minimaal gelijkwaardig aan de uitgangspunten die blijkens paragraaf 3.1 en bijlage 2 van het geluidsonderzoek ten grondslag hebben gelegen aan het geluidsonderzoek en het besluit hogere waarde. Voorts heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de resultaten van het geluidsonderzoek dat ten grondslag ligt aan het tracébesluit niet zonder meer kunnen worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van de aanleg van de trambaan, nu deze resultaten niet in gelijke beoordelingseenheden zijn weergegeven. Verder heeft [appellante] met een tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat het geluidrapport zodanige onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont, dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Ook in de omstandigheid dat de geluidbelasting nergens de maximale ontheffingswaarde overschrijdt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd, nu de voorziene geluidsmaatregelen juist zijn bedoeld om de trambaan in te passen binnen de geldende geluidnormen. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gecumuleerde geluidbelasting. Gelet op eerder genoemd rapport heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare geluidhinder leidt.

2.7.3. Voorts is onderzoek gedaan naar de effecten van het plan voor het trillingsniveau ter plaatse van de woningen aan de Pelikaanstraat. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "HOV tram om de Zuid", van 6 november 2009. Volgens het rapport zal het trillingsniveau ter plaatse van de woningen aan de Pelikaanstraat in de nieuwe situatie als gevolg van de trein en de tram samen lager zijn dan de huidige situatie. De trillingen voldoen in de toekomstige situatie aan de streefwaarde, zowel wat betreft intensiteit als duur van de trillingen, zowel overdag als 's nachts. In zijn reactie op de zienswijze heeft de raad voorts aangegeven dat het trillingniveau vermindert omdat met de aanleg van de tram is uitgegaan van een grotere en zwaardere constructie dan waarvan bij het tracébesluit voor de spoorverdubbeling is uitgegaan. [appellante] heeft in beroep niet onderbouwd waarom dit standpunt onjuist is. Verder heeft zij met een tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont, dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare trillinghinder leidt.

2.7.4. Wat betreft het betoog van [appellante] dat de bouw van de trambaan tot schaduwhinder leidt, wordt als volgt overwogen. Bij de totstandkoming van het plan is wat betreft de gevolgen van de trambaan een bezonningsrapport opgesteld. De conclusie van dit onderzoek is dat de schaduwhinder die de woningen aan de Pelikaanstraat met name in de lente en de herfst door de voorziene trambaan zullen ondervinden beperkt is. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet van dit rapport kan worden uitgegaan. Gelet hierop en gelet op de stedelijke omgeving, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor [appellante] niet tot onaanvaardbare schaduwhinder leidt.

2.7.5. De gevel van de trambaan heeft een hoogte van 6,5 meter boven straatniveau. De afstand van de woningen tot de trambaan bedraagt tussen de negen en de vijftien meter. Niet in geschil is dat door de aanleg van de trambaan op de plaats van het huidige groene spoortalud het straatbeeld ingrijpend zal wijzigen. Gelet op de bouwhoogte en de afstand tot de woningen en in aanmerking genomen dat het stedelijk gebied is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verandering van het uitzicht niet zodanig ernstig is dat aan die verandering grote betekenis toekomt. Hierbij betrekt de Afdeling dat bij de herinrichting van de straat wordt geprobeerd zoveel mogelijk groenelementen in het straatbeeld terug te brengen.

2.7.6. Gelet op het vorenstaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van [appellante].

2.8. Voorts voert [appellante] aan dat het plan ten onrechte voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor het aanleggen van een ongelijkvloerse kruising met de Oosterspoorbaan. Nu nog geen zekerheid bestaat of deze kruising zal worden gerealiseerd, heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid die de realisatie van een ongelijkvloerse kruising op deze locatie mogelijk maakt. Het betoog faalt.

2.9. [appellante] stelt verder dat het plan tot aantasting leidt van de begraafplaatsen Kovelswade en Soestbergen.

In de reactie op de zienswijzen heeft de raad uiteengezet op welke manier bij de aanleg van de trambaan rekening wordt gehouden met de begraafplaatsen Kovelswade en Soestbergen. Volgens de raad leidt realisering van het plan niet tot een onaanvaardbare verstoring of aantasting van het besloten en groene karakter van de begraafplaatsen. [appellante] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

2.10. Voorts is de vrees van [appellante], dat na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 17 van de planregels de gevolgen van het plan voor haar woon- en leefklimaat en voor de begraafplaatsen Kovelswade en Soestbergen slechter worden, ongegrond. Artikel 17 van de planregels voorziet in de mogelijkheid om de in het plan opgenomen bestemmingsgrenzen te wijzigen. De trambaan kan ter hoogte van de woning van [appellante] en de begraafplaatsen echter niet worden verschoven, nu aan het plangebied op deze locaties alleen de bestemming "Verkeer-Openbaar vervoer" is toegekend en het daarvan niet mogelijk is om met toepassing van deze bevoegdheid de plangrens te verschuiven.

2.11. Wat betreft de vrees van [appellante] voor schade en overlast van bouwwerkzaamheden gedurende de realisering van het plan overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar kan derhalve buiten beschouwing blijven.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellante] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. [appellante] voert in dit verband nog aan dat de raad ten onrechte stelt dat sprake is van compensatie van bewoners van de Pelikaanstraat nu zij gebruik kunnen maken van bergingen onder de trambaan, aangezien zij daarvoor moeten betalen. Zoals door de raad ter zitting is toegelicht, worden met de bouw van de bergingen niet de bewoners gecompenseerd, maar wordt hiermee beoogd het verlies aan openbare ruimte ten gevolge van de aanleg van de trambaan te compenseren. Het betoog faalt.

2.12. [appellante] betoogt dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

In de plantoelichting is op hoofdlijnen het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid weergegeven. Daarin wordt naar oordeel van de Afdeling voldoende inzicht gegeven in de uitkomsten van het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken. Nu [appellante] haar stelling niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

2.13. Tenslotte betoogt [appellante] dat de raad bij het vaststellen van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

In paragraaf 4.8 "Waterhuishouding" van de plantoelichting is weergegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Indien het plan conform de uitgangspunten zoals weergegeven in de plantoelichting wordt uitgevoerd, heeft het plan volgens de raad geen negatieve gevolgen voor de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Gelet hierop en nu [appellante] haar stelling niet nader heeft onderbouwd, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor wateroverlast niet gevreesd hoeft te worden.

2.14. Voorts heeft de raad in de reactie op de zienswijzen uitgelegd waarom behoefte staat aan het station Vaartsche Rijn. In beroep herhaalt [appellante] haar stelling dat de noodzaak voor het station onduidelijk is. Zij geeft echter niet aan waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

2.15. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

432.