Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201101313/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiskamp Beringstraat 5" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101313/1/R2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] en anderen, wonend te Amersfoort,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiskamp Beringstraat 5" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2011, waar [appellant A], [appellant B] en anderen, in persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. Eissens-Eigenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], namens [bedrijf], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij raad. Het ontwerpplan heeft ter inzage gelegen van 10 juni 2010 tot en met 21 juli 2010. [14 appellanten] hebben geen zienswijze naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is, voor zover het mede is ingediend door [14 appellanten], niet-ontvankelijk.

Formeel

2.2. [appellant A], [appellant B] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover dat de bouw mogelijk maakt van een appartementencomplex met 23 woningen aan de Beringstraat in Amersfoort. Zij voeren daartoe aan dat bij de voorbereiding van het plan een onjuiste en onzorgvuldige procedure is gevolgd.

2.2.1. In de raadsnotitie "Rol van de raad in RO procedures" (hierna: de notitie) worden 3 modellen van behandeling van bestemmingsplannen beschreven. Bij elk model wordt de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd, waarbij in model 2 een extra moment van kaderstelling door de raad is toegevoegd en model 3 voorziet in de meest uitgebreide behandeling. In dit geval is door de raad, op advies van het presidium, gekozen voor model 1, aangezien dit model in hoofdzaak geldt voor ontwikkelingen of verzoeken met een beperkt karakter die zich in het algemeen afspelen op perceelsniveau.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.8 van de Wro in samenhang met afdeling 3.4 van de Awb vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan, waarop zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Deze procedure is gevolgd. Het voeren van overleg met omwonenden en het bieden van inspraak maken geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Onregelmatigheden betreffende het bieden van inspraakmogelijkheden, zo die zich in dit geval al hebben voorgedaan, hebben daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

De Afdeling is van oordeel dat niet gehandeld is in strijd met de notitie en de wettelijke bestemmingsplanprocedure. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Het betoog van [appellant A], [appellant B] en anderen van formele aard faalt.

Inhoudelijk

2.3. [appellant A], [appellant B] en anderen voeren verder aan dat de bouw van het complex zal leiden tot een onevenredige verslechtering van hun woon- en leefklimaat. De komst van het complex zal naar hun mening verder leiden tot aantasting van het groene profiel van de straat, onveilige verkeerssituaties en parkeeroverlast. [appellant A], [appellant B] en anderen achten het voorziene gebouw stedenbouwkundig en architectonisch niet aanvaardbaar en vrezen dat het gebruik van het aangrenzende schoolplein belemmerd zal worden in verband met geluidsoverlast voor nieuwe bewoners. Zij stellen dat het onwaarschijnlijk is dat de appartementen daadwerkelijk door starters zullen worden betrokken. Tenslotte wijzen zij op het ontbreken van planschadeonderzoek en op afwijkingen die volgens hen bestaan tussen het bestemmingsplan en het bouwplan voor het complex.

2.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, sub a, aanhef en onder 2, mag de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, sub a, aanhef en onder 3, mogen balkons aan de westzijde de bebouwingsgrens met niet meer dan 2 m overschrijden.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, sub a, aanhef en onder 4, zijn de balkons en terrassen aan de westzijde voorzien van maatregelen waardoor de toegestane grenswaarde van 45 dB, met inachtneming van een afwijking tot maximaal 47 dB bij de terrassen op de begane grond, niet wordt overschreden.

2.5. De Afdeling stelt vast dat in deze procedure, hoewel met het onderhavige plan wordt beoogd de bouw van een appartementencomplex aan de Beringstraat 5 planologisch mogelijk te maken, het bestemmingsplan ter beoordeling staat en niet een bouwplan ter uitvoering daarvan. Daardoor kunnen bezwaren met betrekking tot discrepanties tussen het bestemmingsplan en het bouwplan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.6. Het voorziene complex bestaat uit woningen bedoeld voor starters. Uit de plantoelichting volgt dat in de wijk een behoefte is aan gevarieerd woningaanbod naar type en prijs, waarbij, naast het aantrekken en vasthouden van hogere inkomens, ook betaalbare (starters-)woningen belangrijk zijn, aangezien de wijk Kruiskamp gezien wordt als een belangrijke doorstroomwijk voor starters. Het standpunt van de raad om starterswoningen te willen realiseren ten behoeve van de leefbaarheid in de kern Kruiskamp komt de Afdeling niet onredelijk voor.

2.7. Op de locatie aan de Beringstraat waar het appartementencomplex is voorzien, staat nu een sporthal, die niet in gebruik is. Deze sporthal is ongeveer 6 meter hoog. Het plan voorziet in een complex met ongeveer 23 woningen waaraan een maximale bouwhoogte van 15 meter is toegekend. Niet valt uit te sluiten dat door realisering van de voorziene woningen het woon- en leefklimaat van [appellant A], [appellant B] en anderen in enige mate zal worden aangetast, in de vorm van enige vermindering van inval van zonlicht, uitzicht en privacy bij de omliggende woningen. De Afdeling ziet echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze vermindering zodanig zal zijn dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht heeft moeten toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling de uitkomst van de uitgevoerde bezonningsstudies, alsmede de afstand tussen de omliggende woningen en het bouwvlak, die volgens de verbeelding ten minste achttien meter bedraagt, de maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter en de getrapte opbouw van de gevel van het complex aan de noordzijde, waar de afstand tot de omliggende woningen het kleinst is.

Niet in geschil is dat realisering van het voorziene complex leidt tot toename van het verkeer ten opzichte van de huidige feitelijke situatie, aangezien de aanwezige sporthal buiten gebruik is. Volgens de raad zal de bouw van het kleinschalige complex echter slechts een geringe verkeerstoename tot gevolg hebben, vergeleken met de verplaatsingen die door de huidige bestemming gegenereerd kunnen worden, die bovendien voldoende kan worden afgewikkeld op de bestaande straten. [appellant A], [appellant B] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad op dit punt van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Tevens is niet aannemelijk geworden dat door het plan op zich een gevaarlijke situatie ontstaat rond de kruising Beringsstraat-Magelhaenstraat, zoals [appellant A], [appellant B] en anderen vrezen. In hetgeen [appellant A], [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat de verkeersafwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast.

Naast verkeersoverlast vrezen [appellant A], [appellant B] en anderen parkeeroverlast. In 2008 gold voor de wijk Kruiskamp een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per woning. De Parkeernota 2009, die een norm bevat van 1,7 parkeerplaatsen per woning, is van kracht geworden op 1 januari 2009, waarbij door het gemeentebestuur is besloten dat voor lopende projecten in overleg met de initiatiefnemers een norm bepaald zou worden. Het bouwplan voor het appartementencomplex was op dat moment al opgesteld. In dit geval is besloten een norm te hanteren van 1,4 parkeerplaatsen per woning, waardoor het benodigde aantal parkeerplaatsen 32 is. De aldus benodigde parkeerplaatsen worden deels ondergebracht in een, bij het plan mogelijk gemaakte, parkeergarage en betreffen deels de parkeerplaatsen binnen de tot het plangebied behorende openbare ruimte. Deze parkeerplaatsen liggen op gronden die in eigendom zijn van de initiatiefnemer en mogen reeds om die reden worden meegerekend. Niet is aannemelijk geworden dat een onjuiste norm is gehanteerd of dat niet zal kunnen worden voldaan aan de genoemde norm. In hetgeen [appellant A], [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast.

Volgens de raad is voor de uitvoering van het plan het verdwijnen van openbaar groen niet noodzakelijk. Ook de populier op het schoolplein ondervindt zeer waarschijnlijk geen nadelige invloed van de bouw van het complex, aldus de raad. De ontwikkelaar heeft aangegeven het advies van BSI Bomenservice om tijdens de graafwerkzaamheden een zogenaamde bomenwacht te verrichten ter harte te nemen en eventueel ook een proefsleuf te laten graven voor het bepalen van de ligging van boomwortels. [appellant A], [appellant B] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad op dit punt is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad voldoende maatregelen heeft genomen om het groen in de omgeving te behouden. Overigens is na de vaststelling van het plan gebleken dat de bomen in de omgeving van het plangebied in slechte conditie zijn en gefaseerd vervangen zullen moeten worden. Dit zal te zijner tijd in overleg met de bewoners gebeuren, aldus de raad.

Ten aanzien van het betoog dat het voorziene complex stedenbouwkundig en architectonisch niet aanvaardbaar is op deze locatie, stelt de raad dat de bouw van het complex past in de mix van grondgebonden woningen en appartementenblokken, die gekozen is bij de herontwikkeling van deze buurt. Het complex is qua opzet, positie en inpassing vergelijkbaar met bijvoorbeeld het complex aan de Marco Polostraat. In hetgeen [appellant A], [appellant B] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwing passend kan worden geacht in de omgeving.

2.8. Grenzend aan het plangebied ligt een school voor speciaal onderwijs met een schoolplein. De geluidhinder die een basisschool veroorzaakt, wordt vooral bepaald door het geluid van spelende kinderen op het schoolplein. Het schoolplein bevindt zich aan de zuid- en westzijde van het plangebied. De kortste afstand tussen de school en het voorziene complex bedraagt ongeveer 5 meter, terwijl het plangebied direct grenst aan het schoolplein. In de plantoelichting wordt verwezen naar de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Deze VNG-brochure geeft indicatieve afstanden tussen woningen en bedrijven met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Een basisschool behoort tot milieucategorie 2. In de VNG-brochure wordt ter voorkoming van hinder een afstand van 30 meter tussen een rustige woonwijk en een school voor basisonderwijs aanbevolen. Een verschil tussen de feitelijke afstand en de aanbevolen afstand als hier aan de orde dient deugdelijk te zijn gemotiveerd.

In opdracht van de initiatiefnemer is door Caubergh-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV geluidonderzoek uitgevoerd om te bepalen of en hoe een vergelijkbare geluidkwaliteit bij de woningen behaald zou kunnen worden, als het geval is bij een afstand van 30 m. De resultaten zijn neergelegd in de "Notitie 20091526-03, Appartementengebouw Beringstraat te Amersfoort, aanpassing ontwerp buitenruimten" (hierna: de notitie), die een bijlage vormt bij het plan. Het uitgangspunt voor de notitie is een rustige woonwijk, waarbij een geluidbelasting van 45 dB op de gevels van de woningen toelaatbaar is en kan worden uitgeweken naar ten hoogste 50 dB. In de notitie wordt geconcludeerd dat door het treffen van maatregelen aan de balkons en de terrassen op de daarachter gelegen gevels de grenswaarde van 50 dB in elk geval niet wordt overschreden. Om de grens van 45 dB te halen, moeten specifiekere maatregelen worden getroffen, zoals geluiddempende voorzieningen. Indien deze maatregelen worden getroffen is volgens de notitie sprake van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft ter waarborging hiervan in artikel 3.4, onder a, van de planregels bepaald dat balkons en terrassen aan de westzijde, waar de afstand tot het schoolplein het kleinst is, dienen te zijn voorzien van maatregelen die bewerkstelligen dat de toegestane grenswaarden van 45 respectievelijk 47 dB niet worden overschreden.

Het standpunt van de raad dat met de voorziene maatregelen hetzelfde geluidsniveau bereikt kan worden, als ware er een afstand van 30 m tussen het complex en het schoolplein, is door [appellant A], [appellant B] en anderen als zodanig niet betwist. Ten aanzien van de vrees dat ondanks de maatregelen klachten zullen ontstaan aangezien het hier betreft een school voor bijzonder onderwijs met een intensief gebruik van het schoolplein hebben de raad en [bedrijf] gesteld dat de berekeningen zijn gebaseerd op een maximaal belaste situatie waarbij 100 kinderen tegelijk gebruik maken van het schoolplein. Verder hebben zij gesteld dat de specifieke ligging van het complex in de verkoopbrochure zal worden opgenomen. Hierin zal voorts worden gewezen op het feit dat de keus bestaat de balkons al dan niet open te zetten en dat de geluidssituatie op die manier door de bewoners zelf kan worden gereguleerd.

Onder deze omstandigheden is de afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen afstand van 30 m in dit geval voldoende onderbouwd.

2.9. Uit de plantoelichting volgt voorts dat het plan vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar is. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een planschadeovereenkomst gesloten voor de vergoeding van eventuele planschade. In dat kader is, in opdracht van de initiatiefnemer, door taxatie- en adviesbureau Gloudemans een planschadeonderzoek uitgevoerd. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de percelen van [appellant A], [appellant B] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.10. Gelet op al het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang bij verwezenlijking van het woongebouw zwaarder weegt dan de belangen van [appellant A], [appellant B] en anderen bij behoud van de bestaande situatie.

2.11. In hetgeen [appellant A], [appellant B] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingediend door [14 appellanten], niet-ontvankelijk ;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

317-706.