Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201011448/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het college aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het oprichten van overkappingen op het perceel Hemelstraat 6 te Gendt (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011448/1/H1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], en

2. [appellant sub 2],

beiden wonend te Gendt, gemeente Lingewaard, en

3. het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2010 in zaken nrs. 09/2167, 09/3892 en 10/987 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het college aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het oprichten van overkappingen op het perceel Hemelstraat 6 te Gendt (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college aan [appellant sub 2] vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het vergroten van de garage/berging op het perceel.

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend optreden tegen illegaal geplaatste bouwwerken c.q. overkappingen op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 12 mei 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard en de door [appellant sub 1] tegen de besluiten van

25 augustus 2009 en 18 februari 2010 ingestelde beroepen gegrond verklaard en laatstgenoemde besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 december 2010. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 december 2010.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door zijn [echtgenote], en [appellant sub 2], bijgestaan door zijn [zoon], en het college, vertegenwoordigd door J.A.R. Bolhuis en D. Brouwer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant sub 1] ten aanzien van het besluit waarbij bouwvergunning is verleend voor de uitbreiding van de garage/berging niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en zijn zienswijze door het college mitsdien terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

2.1.1. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en het bouwplan voor de uitbreiding van de garage/berging ongeveer 125 m bedraagt en de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en dat bouwplan ongeveer 140 m. Voorts is komen vast te staan dat [appellant sub 1] weliswaar zicht heeft op de voorkant van de garage/berging, maar niet op de uitbreiding aan de achterkant waarop dit bouwplan betrekking heeft. Nu noch de stukken, noch het verhandelde ter zitting aanleiding geven voor het oordeel dat [appellant sub 1] uit een oogpunt van ruimtelijke uitstraling belang heeft bij de verleende bouwvergunning voor de uitbreiding van de garage/berging kan hij ten aanzien van het besluit waarbij bouwvergunning is verleend voor de uitbreiding van de garage/berging niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De betogen slagen.

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de publicatie van de bouwvergunning met betrekking tot de overkappingen onzorgvuldig was, nu daarin niet is vermeld dat de bouwvergunning mede betrekking heeft op het vergroten van een hobbyruimte.

2.2.1. Het betoog is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt overwogen dat [appellant sub 1] door de gebrekkige publicatie niet in zijn belangen is geschaad, nu hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende bouwvergunning en de vergroting van de hobbyruimte in de bezwarenprocedure uitdrukkelijk onderwerp van geschil is geweest.

Het betoog faalt mitsdien.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat de overkappingen op het perceel dienen te worden meegeteld bij de beoordeling of wordt voldaan aan de in artikel 18, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan genoemde maximum oppervlakte. Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte de bestaande kweekkas buiten beschouwing heeft gelaten. Wanneer deze bouwwerken worden meegeteld, wordt het maximum van 75 m2 overschreden, aldus [appellant sub 1]. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat het beoogde gebruik van de hobbyruimte strijdig is met het bestemmingsplan.

2.3.1. De bouwaanvraag heeft betrekking op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Erf".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Gendt", voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming erf bestemd voor erf bij de gebouwen op de aangrenzende bebouwingsstrook en in samenhang daarmee voor:

a. woonruimte behorende tot en aangebouwd aan woonhuizen op de aangrenzende bebouwingsstrook;

b. (…);

c. autoboxen, bergplaatsen en andere bijgebouwen zoals hobbykassen, praktijk- en hobbyruimten;

d. met de bestemming verband houdende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (…).

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, mogen de ingevolge lid 1, onder a en c, bedoelde woonruimten en andere opstallen per woning samen een oppervlakte beslaan van ten hoogste 50% van het bij die woning behorende erf, zulks tot een maximum van 75 m2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet wordt onder een gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, ruimte vormt.

2.3.2. Gelet op de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen en het verhandelde ter zitting, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de aangevraagde overkappingen niet als gebouwen in de zin van de Woningwet kunnen worden aangemerkt, nu deze aan drie zijden open zijn. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften genoemde maximum van 75 m2 niet op deze bouwwerken van toepassing is. De door [appellant sub 1] aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, biedt geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat de daar aan de orde zijnde situatie niet vergelijkbaar is met hetgeen thans in geschil is.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen bestaat geen aanleiding om bij de toepassing van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften uitsluitend de op het moment van het verlenen van de bouwvergunning legaal opgerichte bouwwerken bij de beoordeling te betrekken. Hieruit volgt dat het college de oppervlakte van de zonder bouwvergunning opgerichte kweekkas had moeten betrekken bij zijn beoordeling of het bouwplan in overeenstemming is met artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Niet in geschil is dat dit maximum wordt overschreden wanneer de kweekkas bij die beoordeling wordt betrokken. Nu het bouwplan, gelet hierop, in strijd is met het bestemmingsplan, heeft het college de daarvoor verleende bouwvergunning, voor zover deze betrekking heeft op de vergroting van de hobbyruimte, bij het besluit op bezwaar van 12 mei 2009 ten onrechte gehandhaafd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

Gelet op het vorenstaande behoeft het betoog dat ten onrechte bouwvergunning is verleend voor vergroting van de hobbyruimte, omdat deze in strijd met het bestemmingsplan voor bedrijfsdoeleinden zal worden gebruikt, geen bespreking meer.

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aan de orde zijnde verzoek om handhaving mede het gebruik van de hobbyruimte ten behoeve van een schoonheids- en pedicuresalon omvat en dat het college ten onrechte heeft geweigerd daartegen handhavend op te treden.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek om handhaving dat aan het besluit van 13 mei 2009 ten grondslag ligt, geen betrekking had op het gestelde gebruik van de hobbyruimte op het perceel ten behoeve van een schoonheids- en pedicuresalon, zodat dit gestelde gebruik geen deel uitmaakt van de onderhavige procedure. Dat [appellant sub 1] van dit gebruik melding heeft gemaakt in zijn brief van 12 januari 2010 maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten aanzien van de overkappingen en de vergroting van de hobbyruimte ten onrechte niet handhavend is opgetreden.

2.5.1. Een bestuursorgaan is slechts tot handhavend optreden bevoegd, indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Ten tijde van de weigering handhavend op te treden en ten tijde van het nemen van het besluit op de bezwaren daartegen was voor de overkappingen en de vergroting van de hobbyruimte een bouwvergunning verleend. Dat uit rechtsoverweging 2.3.2. volgt dat deze bouwvergunning ten onrechte is verleend voor zover deze betrekking heeft op de vergroting van de hobbyruimte, doet niet af aan het feit dat ten tijde van de weigering handhavend op te treden een rechtsgeldige bouwvergunning aanwezig was. De rechtbank heeft mitsdien op goede gronden geoordeeld dat het college ten aanzien van de overkappingen en de vergroting van de hobbyruimte terecht niet handhavend heeft opgetreden.

Het betoog faalt.

2.6. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.1.2. reeds is overwogen is [appellant sub 1] met betrekking tot het besluit waarbij bouwvergunning is verleend voor de uitbreiding van de garage/berging niet als belanghebbende aan te merken. Mitsdien heeft het college [appellant sub 1] met betrekking tot zijn verzoek om handhaving, voor zover dit verzoek op deze uitbreiding betrekking heeft, terecht evenmin aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

De betogen van het college en [appellant sub 2] slagen.

2.7. De hoger beroepen van het college en [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de tegen het besluit van 25 augustus 2009 en het besluit van 18 februari 2010, voor zover betrekking hebbend op de uitbreiding van de garage/berging, gerichte beroepen gegrond zijn verklaard en het tegen het besluit van 12 mei 2009 gerichte beroep ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 25 augustus 2009 ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren, het tegen het besluit van 12 mei 2009 ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet en het tegen het besluit van 18 februari 2010, voor zover betrekking hebbend op de uitbreiding van de garage/berging, ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2010 in zaken nrs. 09/2167, 09/3892 en 10/987, voor zover daarbij de tegen het besluit van 25 augustus 2009, kenmerk 20080417, en het besluit van 18 februari 2010, voor zover betrekking hebbend op de uitbreiding van de garage/berging, kenmerk 20060609, gerichte beroepen gegrond zijn verklaard en het tegen het besluit van 12 mei 2009, kenmerk 20090133, gerichte beroep ongegrond;

III. verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 25 augustus 2009, niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 18 februari 2010, voor zover betrekking hebbend op de uitbreiding van de garage/berging, ongegrond;

V. verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 12 mei 2009, gegrond;

VI. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard van 12 mei 2009;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 174,81 (zegge: honderdvierenzeventig euro en eenentachtig cent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor [appellant sub 1] en € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

392.