Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201011079/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een uitwegvergunning ten behoeve van het perceel [locatie] te Voorschoten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011079/1/H3.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Voorschoten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 10 september 2010 in zaak nr. 10/1222 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een uitwegvergunning ten behoeve van het perceel [locatie] te Voorschoten afgewezen.

Bij besluit van 5 januari 2009 (lees: 5 januari 2010) heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Wester, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.5.3, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Voorschoten 2007 (hierna: de Apv 2007) is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg.

Ingevolge artikel 2.1.5.3a, aanhef en onder b, kan de vergunning worden geweigerd in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg.

2.2. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg ten grondslag gelegd.

2.3. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het veilig en doelmatig gebruik van de weg door de uitweg in geding komt. Nu het college de aanvraag van [appellant] individueel en zorgvuldig heeft beoordeeld en voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de weigering om de gevraagde uitwegvergunning te verlenen is gelegen in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg, heeft het college voorts niet in strijd met het verbod van willekeur gehandeld. Het heeft voorts meer waarde mogen toekennen aan het algemene belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg dan aan het belang dat [appellant] heeft bij toewijzing van de aanvraag. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden.

2.4. [appellant] betoogt allereerst dat niet duidelijk is, wie de uitspraak van de rechtbank heeft ondertekend.

2.4.1. Dit betoog leidt niet tot het daarmee beoogde doel. In artikel 8:77, derde lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:11, tweede lid, van die wet, is voorgeschreven dat een uitspraak wordt ondertekend door het lid van de enkelvoudige kamer dat de uitspraak heeft gedaan en de griffier en dat bij verhindering van het lid van de enkelvoudige kamer of de griffier dit in de uitspraak wordt vermeld. In de uitspraak van 10 september 2010 is vermeld dat de rechter verhinderd is deze te ondertekenen. De blijkens het proces-verbaal ter zitting aanwezige griffier heeft de uitspraak ondertekend. Gelet hierop, is de uitspraak niet in strijd met de voormelde voorschriften gedaan.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verkeersveiligheid door aanleg van de uitweg op de beoogde locatie in het gedrang komt. De rechtbank heeft de relevante feiten niet of niet juist vastgesteld en miskend dat het college is uitgegaan van een te lange remweg tussen het zebrapad en de uitweg. Ook indien wel wordt uitgegaan van de door het college berekende remweg, leidt dit echter niet tot verkeersonveilige situaties. Ook is de rechtbank er ten onrechte niet op ingegaan dat voertuigen regelmatig stilstaan voor de beoogde uitweg en dat de strook tussen rijbaan en fietspad voor laden en lossen van voertuigen wordt gebruikt, aldus [appellant].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200703674/1; www.raadvanstate.nl), betreft het verlenen van een uitwegvergunning een discretionaire bevoegdheid. Bij de beoordeling of het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg, als bedoeld in artikel 2.1.5.3a, aanhef en onder b, van de Apv 2007, door de uitweg in geding is, komt het college beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient terughoudend te worden getoetst en naar de situatie ten tijde van de besluitvorming. Indien het college het belang in geding acht, dient het, onder afweging van alle betrokken belangen, te beoordelen of dat reden is de vergunning te weigeren.

2.5.2. Met juistheid heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid door de aanleg van de uitwegvergunning in het gedrang komt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beoogde locatie van de uitweg volgens een memo van een verkeerskundige in dienst van de gemeente op korte afstand van een rotonde is gelegen. Volgens deze memo begint het wegverkeer na de rotonde weer op te trekken naar 50 km/u. Voorts is het zicht op aankomende fietsers en voetgangers volgens de memo beperkt door een op het perceel van [appellant] aanwezige tuinmuur en door beplanting. In de memo wordt opgemerkt dat de verkeersveiligheid niet is gediend met een uitweg op de beoogde locatie.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de memo niet aan het besluit van 5 januari 2010 ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant] heeft deze memo niet bestreden met een tegenadvies van een andere deskundige. De uitdraai van de site van Postbus 51 die [appellant] in beroep heeft overgelegd, heeft de rechtbank terecht niet als zodanig aangemerkt. Het college mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat de door [appellant] aangeleverde gegevens en berekeningen ten aanzien van de remweg niet afdoen aan het door de verkeerskundige uitgebrachte advies. Voorts is niet bestreden dat de Leidseweg, zoals het college heeft gesteld, deel uitmaakt van een drukke doorgaande route. Dat voertuigen regelmatig stilstaan op de strook tussen rijbaan en fietspad en deze strook voor laden en lossen van voertuigen wordt gebruikt laat onverlet dat, zoals het college ter zitting van de Afdeling onweersproken heeft gesteld, de strook niet is bedoeld voor het parkeren en manoeuvreren van voertuigen. Het college heeft hierbij van belang mogen achten dat bij het gebruik van de uitweg een voertuig op enig moment dwars op de strook zal staan.

De rechtbank heeft in het beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij de uitweg.

2.5.3. De rechtbank heeft ten slotte evenzeer met juistheid geoordeeld dat het betoog van [appellant] dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld niet slaagt. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de door [appellant] in dat verband vermelde uitweg, gelet op de verkeersintensiteit en het wegprofiel aldaar, minder ingrijpende gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van de weg heeft.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlas[appellant] w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

97-591.