Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201008854/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2008 heeft het college een aanvraag om vergoeding van planschade van [appellante] en anderen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008854/1/H2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Lelystad, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juli 2010 in zaken nrs. 09/1739, 09/2143 en 09/2144 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2008 heeft het college een aanvraag om vergoeding van planschade van [appellante] en anderen afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college het door [appellante] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Timmermans, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ben Kaddour, werkzaam bij de gemeente Lelystad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling gold tot 1 juli 2008, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een aanvraag om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat die schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.2. Bij besluit van 20 juni 2001 heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Lelystad (gedeelte Oostelijk Flevoland)" en bouwvergunning verleend aan [appellante] en anderen voor het oprichten van zes windturbines langs de Noordertocht in Lelystad. De windturbines hebben een ashoogte van 64 meter, elk drie rotorbladen en een rotordiameter van 72 meter. De onderlinge afstand tussen de windturbines bedraagt 330 meter.

Bij besluit van 4 september 2003 heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het oprichten van twee windturbines aan de [locatie] in Lelystad. De twee windturbines staan in lijn met de zes windturbines van [appellante] en anderen en hebben een ashoogte van 64 meter, elk drie rotorbladen en een rotordiameter van 72 meter. De onderlinge afstand bedraagt ongeveer 330 meter en de afstand tot de naastgelegen windturbine van [appellante] en anderen bedraagt ongeveer 470 meter.

[appellante] en anderen hebben verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te lijden ten gevolge van het besluit van 4 september 2003. Zij stellen dat de twee windturbines windafvang veroorzaken waardoor hun windturbines minder opbrengst genereren.

2.2.1. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag heeft het college, in navolging van een advies van de Commissie Bezwaarschriften van 8 juni 2009 en gezien een advies van Langhout & Wiarda van 10 september 2008, ten grondslag gelegd dat ten tijde van het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning voor de zes windturbines op 20 juni 2001 voldoende kenbaar was dat volgens het provinciale beleid minimaal zes en maximaal tien windmolens ter plaatse konden worden gerealiseerd. Daarbij heeft het college mede betrokken dat de eerste aanvraag om bouwvergunning van [appellante] en anderen uitging van een lijnopstelling van negen windturbines waarvoor echter een milieueffectrapportage had moeten worden opgesteld. Met de plaatsing van slechts zes windturbines hebben [appellante] en anderen het risico aanvaard dat er nog maximaal vier windturbines bij geplaatst zouden kunnen worden. Omdat de planologische wijziging voorzienbaar was ten tijde van de verlening van de bouwvergunning en vrijstelling voor de zes windturbines, heeft het college de schade voor rekening van [appellante] en anderen gelaten.

2.3. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van de lijnopstelling van de windturbines voorzienbaar was. Zij voeren aan dat ten tijde van de verlening van vrijstelling en vergunning ten behoeve van hun zes windturbines het provinciaal beleid door provincie en gemeente werd uitgelegd en toegepast in die zin dat uitbreiding van dit aantal niet mogelijk was. Zij verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2001 in zaak nr. 200100001/1 inzake hun milieuvergunning voor de zes windturbines. [appellante] en anderen betogen in dit verband voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de uitbreiding van het aantal van zes aan hen vergunde windturbines bovendien gezien de feitelijke omstandigheden niet mogelijk was, ook niet voor derden. Zij voeren in dit verband aan dat de twee nieuwe windturbines in dit opzicht niet voldeden aan het provinciaal beleid, omdat de afstand tussen de dichtst bij elkaar gelegen bestaande en nieuwe windturbine niet 330 meter bedraagt zoals de afstanden tussen de bestaande windturbines, maar 486 meter, en de nieuwe windturbines van een ander merk zijn en een andere uitstraling hebben dan de bestaande windturbines. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op deze gronden, aldus [appellante] en anderen.

2.3.1. Volgens het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland kunnen onder bepaalde voorwaarden kleinschalige opstellingen van windturbines in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland worden gerealiseerd. De kleinschalige opstellingen moeten bestaan uit ten minste zes en ten hoogste tien windturbines met een maximale ashoogte van 70 meter. Op de bij dit plan behorende kaart 4.7 is onder meer vermeld in welke gebieden kleinschalige opstellingen kunnen worden geplaatst.

In de Beleidsregel plaatsing windmolens, vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van Flevoland op 20 februari 2001 en in werking getreden op 1 maart 2001, is het in het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland neergelegde beleid met betrekking tot de plaatsing van windturbines en kaart 4.7 opgenomen en zijn aanvullende regels gesteld.

2.3.2. Anders dan [appellante] en anderen betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning voor de zes windturbines op 20 juni 2001 voor [appellante] en anderen duidelijk was dat op grond van de Beleidsregel een kleinschalige opstelling van tenminste zes en ten hoogste tien windturbines langs de Noordertocht mogelijk was. Zij wilden immers aanvankelijk hun aanvraag om een bouwvergunning voor zes windturbines wijzigen in een aanvraag voor negen windturbines, maar hebben daarvan afgezien nadat het college hen erop had gewezen dat voor dat aantal windturbines een milieueffectrapport diende te worden opgesteld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2001 kan niet worden afgeleid dat destijds van de zijde van de provincie en de gemeente het onder 2.3.1 weergegeven beleid werd uitgelegd en toegepast jegens [appellante] en anderen, in die zin dat uitbreiding van hun lijnopstelling van zes naar negen windmolens niet mogelijk was. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de later door het college van gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar voor het oprichten van de twee nieuwe windturbines. Dat de afstand tussen de dichtst bij elkaar gelegen bestaande windturbine en nieuwe windturbine groter is dan de afstanden tussen de bestaande windturbines, betekent niet dat de twee nieuwe windturbines niet voldoen aan het provinciaal beleid en in die zin niet voorzienbaar waren. In het Omgevingsplan is onder 4.5.1 vermeld dat bij kleinschalige windturbineopstellingen moet worden gestreefd naar eenheid van vorm (aantal wieken, onderlinge afstanden, hoogte). Dat betekent niet dat als eis geldt dat de onderlinge afstanden van windturbines binnen een opstelling exact gelijk dienen te zijn en evenmin dat is vereist dat de windturbines van hetzelfde merk dienen te zijn en precies dezelfde uitstraling dienen te hebben. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van de lijnopstelling van de windturbines voorzienbaar was.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte drie maal griffierecht heeft geheven omdat zij gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend.

2.4.1. De rechtbank heeft voor de behandeling ter zitting besloten de zaak te splitsen in drie zaken en heeft vervolgens driemaal griffierecht geheven. [appellante] en anderen hebben echter gezamenlijk één aanvraag om vergoeding van planschade ingediend, daarop is één besluit gevolgd, waartegen zij gezamenlijk bezwaar hebben gemaakt, waarop is beslist bij één besluit op bezwaar, waartegen zij gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend. Gelet hierop heeft de rechtbank de zaak ten onrechte gesplitst en kon van [appellante] en anderen door de rechtbank slechts eenmaal griffierecht worden geheven. De Afdeling wijst er in dit verband op dat door de rechtbank ook slechts één uitspraak is gedaan. De Afdeling gaat er vanuit dat het te veel betaalde griffierecht door de rechtbank wordt teruggestort.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

85-609.