Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201012427/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7044, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het college) het door [appellante] bij brief van 20 januari 2006 ingestelde administratief beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek aan de Examencommissie van de faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen (hierna: de examencommissie) een getuigschrift uit te reiken voor het doctoraal examen Politicologie, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012427/1/H2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2010 in zaak nr. 06/4489 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het college) het door [appellante] bij brief van 20 januari 2006 ingestelde administratief beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek aan de Examencommissie van de faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen (hierna: de examencommissie) een getuigschrift uit te reiken voor het doctoraal examen Politicologie, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2010, verzonden op 9 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het onderzoek onder één nieuw nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van [appellante] om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en de Staat der Nederlanden aangemerkt als partij in die procedure. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. H. Sluiter, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Boekhorst en dr. M.C.F. Mossink, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hangende de beroepsprocedure hebben [appellante], het college en de examencommissie op 20 mei 2010 in het kader van mediation een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn zij, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

- De examencommissie past uiterlijk binnen één week na de datum van ondertekening van deze overeenkomst de lijst met vakken en cijfers behorende bij het getuigschrift gedateerd 31 augustus 2005 voor het afleggen van het studieprogramma Bestuurskunde door [appellante] aan, conform de lijst met vakken en cijfers in bijlage 1 waarop handmatig wijzigingen op de lijst van 31 augustus 2005 zijn aangebracht;

- [appellante] haalt dit getuigschrift uiterlijk binnen drie weken na de datum van de ondertekening van deze overeenkomst op;

- [appellante] trekt uiterlijk binnen drie weken na de datum van ondertekening van de overeenkomst het beroep bij de rechtbank Amsterdam, dat is geregistreerd onder nummer 06-4489, gedeeltelijk in, namelijk voor wat betreft het onderdeel van het beroep dat betrekking heeft op afgifte van het getuigschrift.

2.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat aan [appellante] een ondertekend getuigschrift is aangeboden en dat [appellante] het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de afgifte van het getuigschrift, niet heeft ingetrokken. De rechtbank heeft hierop het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij van oordeel is dat met de ondertekening van het getuigschrift een einde aan het inhoudelijke geschil is gekomen.

Met betrekking tot het verzoek van [appellante] om met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht de door haar geleden schade te vergoeden, heeft de rechtbank overwogen geen ruimte te zien op dit verzoek te beslissen, omdat [appellante] bij brief van 9 oktober 2010 het college heeft verzocht een zuiver schadebesluit te nemen.

2.3. [appellante] betoogt onder meer dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.1. De examencommissie heeft de lijst met vakken en cijfers aangepast en het op 31 augustus 2005 gedateerde getuigschrift ondertekend. [appellante] heeft niet kunnen aangeven waarom niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de vaststellingsovereenkomst. Het betoog van [appellante] dat zij nog wel belang heeft bij een beslissing, omdat het getuigschrift onbevoegd is ondertekend en daarom niet geldig is, faalt. Het getuigschrift is gedateerd op 31 augustus 2005 en ondertekend door de toenmalige voorzitter van de examencommissie, dr. T. Akkerman (hierna: Akkerman). Ook de cijferlijst is namens Akkerman ondertekend. Van een onbevoegde ondertekening is dan ook niet gebleken. Dat Akkerman op het moment van ondertekening geen voorzitter meer was van de examencommissie doet daar niet aan af. De examencommissie in de samenstelling van dat moment wordt geacht met de ondertekening door Akkerman te hebben ingestemd, nu de voorzitter van die examencommissie op 20 mei 2010 de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. Het wordt er daarom voor gehouden dat aan [appellante] het door haar gewenste getuigschrift ter beschikking is gesteld. Gelet hierop heeft zij, voor zover het de afgifte van het getuigschrift betreft, geen belang meer bij een beslissing op het beroep en heeft de rechtbank het beroep in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

[appellante] is in hoger beroep niet opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat zij bij brief van 9 oktober 2010 ter verkrijging van schadevergoeding heeft gekozen voor de weg van het zuiver schadebesluit. Van die vaststelling wordt daarom in hoger beroep uitgegaan. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de door haar geleden schade geen belang is gelegen bij een beslissing op het beroep.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

362-686.