Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201010238/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Ermelo (hierna: de recreatiewoning) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010238/1/H1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ermelo,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 20 oktober 2010 in zaak nrs. 10/1596 en 10/1400 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Ermelo (hierna: de recreatiewoning) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. van den Brink en G.M.M. Somerwil, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1983" rust op het perceel de bestemming "Verblijfsrecreatieterrein". Niet in geschil is dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college bevoegd was handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en

3e. de aanvrager vóór, maar ik elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

2.4. Niet in geschil is dat [appellant] voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, gestelde voorwaarden. Voor de toepassing van de ontheffingsbevoegdheid voert het college een beleid dat is neergelegd in de "Beleidsregels ontheffing artikel 3.23 Wro - artikel 4.1.1 Bro" (hierna: de beleidsregels), vastgesteld door het college op 29 september 2008 en gepubliceerd op 12 november 2008. In de beleidsregels is aangegeven dat geen ontheffing wordt verleend ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bro, in samenhang gelezen met artikel 3.23, van de Wro. In de toelichting op dit beleid is aangegeven dat binnen de gemeente Ermelo vanaf 1996 een eenduidig kenbaar gemaakt en daadwerkelijk toegepast handhavingsbeleid met betrekking tot het permanent bewonen van recreatieverblijven geldt. Gelet op dit beleid zal door het college geen toepassing gegeven worden aan de wettelijke ontheffingsmogelijkheid. In de beleidsregels is voorts aangegeven dat het college bevoegd blijft om af te wijken van de regeling, wanneer deze voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In een dergelijk geval zal een aparte gemotiveerde beoordeling gemaakt worden.

Voormeld handhavingsbeleid is door het college op 14 maart 1996 vastgesteld. Degenen die konden bewijzen dat zij op die datum permanent woonden in een recreatiewoonverblijf konden een persoonlijke gedoogstatus verkrijgen, mits zij hiertoe vóór 1 juni 1996 een aanvraag indienden. In de tekst van de publicatie in het Ermelo’s Nieuwsblad van 14 maart 1996 is aangegeven dat ook opgetreden wordt tegen degenen die stellen al op die datum permanent te wonen in een recreatiewoonverblijf, maar die niet voor 1 juni 1996 een persoonlijke gedoogstatus hebben aangevraagd.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Hiertoe voert hij aan al sinds 1995 de recreatiewoning permanent te bewonen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 maart 2011, in zaak nr. 201007005/1/H1 volstaat in beginsel voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat, dat het college niet bereid is ontheffing te verlenen of een projectbesluit te nemen.

2.5.2. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college met verwijzing naar het door haar gevoerde beleid voldoende heeft gemotiveerd dat het in dit geval niet wil meewerken aan het verlenen van een ontheffing, omdat [appellant] niet aan de in dat beleid gestelde voorwaarden voldoet.

Voor zover [appellant] onder verwijzing naar een krantenartikel van 10 augustus 2010 betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het ten tijde van het besluit van 11 december 2009 in voorbereiding zijnde en inmiddels vastgestelde bestemmingsplan "Recreatieterreinen", overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van zij, het bestemmingsplan aansluit bij het bestaande handhavingsbeleid en evenmin permanente bewoning van de recreatiewoning toelaat.

Het door [appellant] aangehaalde wetsvoorstel Wet ontheffing onrechtmatige bewoning recreatiewoningen is niet in werking getreden en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het terzake door het college ingenomen standpunt, dat geen ontheffing wordt verleend, niet houdbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat hij erop mocht vertrouwen dat hem een gedoogstatus was verleend, dan wel dat het college gelet op het tijdsverloop zou afzien van handhaving. Hiertoe heeft [appellant] aangevoerd dat hij in 1996 heeft verzocht om een persoonlijke gedoogstatus op grond van het op 12 maart 1996 vastgestelde handhavingsbeleid, naar aanleiding waarvan hij nimmer meer iets heeft vernomen. Tevens verwijst [appellant] in dit kader naar een gesprek en een briefwisseling tussen hem en het college in respectievelijk 2003 en 2006.

2.6.1. Niet is gebleken dat [appellant] vóór 1 juni 1996 een aanvraag voor een persoonlijke gedoogstatus heeft ingediend. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het niet aan het college is om aan te tonen dat [appellant] een zodanige aanvraag niet heeft gedaan, maar dat het aan hem is om zijn stelling in dit verband aannemelijk te maken. Tevens had het op de weg van [appellant] gelegen om, indien hij metterdaad een aanvraag heeft ingediend, bij het uitblijven van een reactie op die aanvraag tijdig bij het college te ageren. Met de verwijzing naar het door hem bedoelde gesprek en een briefwisseling heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat namens het college een toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen, dat het college van handhavend optreden zou afzien. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De voorzieningenrechter is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 november 2010 in zaak nr. 201002081/1) is het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. De omstandigheid dat het college van de illegale situatie op de hoogte was en daartegen desondanks gedurende lange tijd niet heeft opgetreden brengt dan ook niet met zich dat het college thans niet tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op het perceel zou mogen optreden.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

357-713.