Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201007590/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het beoefenen van het paintballspel aan de [locatie] te Wervershoof. Dit besluit is op 24 juni 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2917
Milieurecht Totaal 2012/5691
JOM 2011/616
JM 2011/91 met annotatie van Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007590/1/M1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 C] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellant sub 4] en anderen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]), allen wonend te Wervershoof, gemeente Medemblik,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof, thans gemeente Medemblik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het beoefenen van het paintballspel aan de [locatie] te Wervershoof. Dit besluit is op 24 juni 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2010, gezamenlijk beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2010. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft [appellant sub 1] de gronden aangevuld. Bij brief van 2 september 2010 heeft [appellant sub 3] de gronden aangevuld. Bij brief van 7 september 2010 heeft [appellant sub 2] de gronden aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2011, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. S. Grasboer, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. D. Kist, advocaat te Amsterdam, en [appellant sub 4], in persoon, zijn verschenen. Namens [vergunninghoudster] zijn C. Joost en R. van Vliet, en namens het college, zijn C. Mellema, R. Schuurman en W. Smak, allen werkzaam bij de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Inrichting

2.2. Het terrein van de inrichting is ongeveer 35.000 m2 groot en bestaat uit drie speelvelden en een oefenveld. Voorts is een klein gebouw aanwezig dat als kantine zal worden gebruikt. Het terrein van de inrichting grenst aan de noord- en oostzijde aan lintbebouwing. Aan de westzijde bevindt zich een bedrijventerrein en ten zuiden van het terrein liggen een zwembad en een parkeerterrein. Blijkens de aanvraag is de inrichting eerst alleen in het weekend geopend en door de week op afspraak. De activiteiten vinden plaats tussen 09.00 uur en 21.00 uur.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluidhinder - grenswaarden

2.4. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat geluidhinder in de vergunning niet voldoende wordt beperkt. De gestelde geluidgrenswaarden achten zij te hoog. Zij wijzen erop dat blijkens de aanvraag door [vergunninghoudster] minder geluidruimte is aangevraagd dan door het college is vergund. Volgens hen is het referentieniveau van het omgevingsgeluid nabij het terrein van de inrichting veel lager dan de gestelde geluidgrenswaarden. Ten onrechte zijn naar zij stellen geen afzonderlijke normen opgenomen voor werkdagen en zon- en feestdagen. Daarbij wijzen zij erop dat de inrichting met name in gebruik is gedurende de weekenddagen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2001 in zaaknr. 200102557/1 stellen zij dat het college het ontbreken van een afzonderlijke normstelling voor die dagen in het besluit had moeten motiveren.

2.4.1. Volgens het college biedt de vergunning voldoende bescherming tegen geluidhinder. Het college heeft geen aanleiding gezien lagere grenswaarden te stellen voor zon- en feestdagen.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 1.6.1, voor zover hier van belang, het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,lt) ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer mag bedragen dan 45 dB(A) tussen 07.00-19.00 uur en 40 dB(A) tussen 19.00-23.00 uur.

Ingevolge voorschrift 1.6.2, voor zover hier van belang, mag het maximale geluidsniveau (LAmax) in die perioden niet meer dan 70 dB(A) respectievelijk 65 dB(A) bedragen.

2.4.3. Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd dat het college meer geluidruimte heeft vergund dan door [vergunninghoudster] is aangevraagd, en het besluit reeds om die reden geen stand kan houden,wordt overwogen dat een aanvraag om vergunning tot niet meer kan strekken dan het verkrijgen van een vergunning voor het verrichten van bepaalde activiteiten. Het is niet zo dat door een aanvrager een bepaalde milieuruimte kan worden aangevraagd. Het is aan het bevoegd gezag om voorschriften te verbinden aan de vergunning. Anders dan [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] lijken te veronderstellen, betekent de omstandigheid dat in de tabellen 4 en 5 van het geluidrapport van DGMR van 31 maart 2010, dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag, lagere geluidgrenswaarden zijn opgenomen, niet dat het college gehouden is deze geluidgrenswaarden in voorschriften op te nemen. Het betoog faalt.

2.4.4. Het college heeft hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking als uitgangspunt genomen. In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Volgens het deskundigenbericht kenmerkt de omgeving van de inrichting zich door wonen, natuur en bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop heeft het college met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de omgeving moet worden beschouwd als een rustige woonwijk met weinig verkeer.

Voor een rustige woonwijk met weinig verkeer gelden als richtwaarden 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

Gelet op het vorenstaande zijn de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger dan hetgeen de Handreiking toestaat. De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten. De omstandigheid dat hogere grenswaarden in de vergunning zijn opgenomen dan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, vermeerderd met 10 dB(A), en dat de feitelijke geluidbelasting vanwege het inwerking zijn van de inrichting volgens het rapport van DGMR lager zou zijn, doen hieraan niet af.

De Handreiking noopt niet tot het stellen van lagere geluidgrenswaarden op zon- en feestdagen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking van geluidhinder op zon- en feestdagen.

Naleefbaarheid

2.5. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat niet vast staat dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Het college heeft bij zijn besluit ten onrechte het stemgeluid van bezoekers van de inrichting niet betrokken, zo betogen zij. Weliswaar is in het akoestisch onderzoek stemgeluid meegenomen, maar zij voeren aan dat bezoekers tijdens het beoefenen van het paintballspel meer stemgeluid produceren dan alleen het uitroepen van "hit" als ze geraakt wordt.

2.5.1. Het college stelt onder verwijzing naar paragraaf 6.3.3. van de Handreiking dat stemgeluid bij sport- en recreatieactiviteiten buiten beschouwing mag blijven en dat het derhalve ook thans niet betrokken hoeft te worden bij toetsing van de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting aan de geluidgrenswaarden. Het college heeft in het verweerschrift nog opgemerkt dat die systematiek ook in het Besluit algemene regels voor inrichtingen wordt toegepast.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 1.6.4 dient het meten en berekenen van geluidniveaus en het beoordelen van meetresultaten plaats te vinden overeenkomstig de Handleiding meten en reken industrielawaai, uitgave 1999.

2.5.3. De Afdeling constateert dat in voorschift 1.6.1 geen geluidbronnen zijn uitgezonderd, zodat de voor de dag- en avondperiode voorgeschreven geluidgrenswaarden gelden voor de totale geluidemissie vanwege de inrichting. Met toepassing van de Handleiding dient ingevolge voorschrift 1.6.4 te worden bepaald of de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. De Handleiding bevat geen specifieke regels over hoe om te gaan met stemgeluid, zodat de algemene regels daarop van toepassing zijn.

Nog daargelaten of paragraaf 6.3.3. van de Handreiking bepalingen bevat over de wijze van toetsing van stemgeluid aan voorgeschreven geluidgrenswaarden, overweegt de Afdeling dat aan de Handreiking naast een verleende vergunning geen zelfstandige betekenis toekomt. De Handreiking heeft tot doel overheden een hulpmiddel te bieden bij het voorkomen en beperken van geluidhinder in het kader van de vergunningverlening.

Voor zover het college nog betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat in het Besluit algemene regels voor inrichtingen stemgeluid in bepaalde situaties buiten beschouwing blijft, wordt overwogen dat dit besluit niet het voorliggende toetsingskader vormt. Voorts overweegt de Afdeling dat het college evenmin betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het terrein, wat daar overigens ook van zij, voorheen ook werd gebruikt voor recreatieve doeleinden.

Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat in dit geval grond bestaat voor het oordeel dat het stemgeluid van personen op het terrein van de inrichting niet hoeft te worden meegenomen bij toetsing van de geluidemissie vanwege de inrichting aan de gestelde geluidgrenswaarden.

2.5.4. Bij het bestreden besluit is stemgeluid niet betrokken, maar in het onderzoek van DGMR zijn het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau bepaald met en zonder menselijk stemgeluid. Uit tabel 4 volgt dat als stemgeluid wordt meegenomen de woning Kagerbos 13 in de avondperiode een geluidbelasting van 43 dB(A) ondervindt, terwijl een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is voorgeschreven van 40 dB(A). Gelet hierop heeft het college zich, nu stemgeluid in voorschrift 1.6.1 niet is uitgezonderd van toetsing aan de geluidgrenswaarden, ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

Controlevoorschrift

2.6. Door [appellant sub 1] is nog aangevoerd dat aan de vergunning ten onrechte geen controlevoorschrift wat betreft de geluidemissie is verbonden.

2.6.1. Door middel van geluidmetingen en gelet op het in vergunningvoorschrift 1.6.3 opgenomen meetvoorschrift, is volgens het college op eenvoudige wijze na te gaan of aan de gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van een controlevoorschrift.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.7. Nu de geluidaspecten bepalend zijn voor de vraag of vergunning kan worden verleend, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige gronden geen bespreking.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de door [appellant sub 4] verzochte vergoeding van de kosten van advisering door een deskundige van M+P Raadgevende Ingenieurs, wordt overwogen dat de brieven van 30 maart 2009 en 22 januari 2010 zijn uitgebracht voorafgaand aan het bestreden besluit en derhalve niet zijn aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. De bedoelde emailberichten van 28 juni 2010, wat daar overigens ook van zij, zijn niet aan de Afdeling overgelegd en de kosten daarvan komen om die reden niet voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof, thans gemeente Medemblik, van 22 juni 2010, kenmerk 09/Wm/008WER;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof, thans gemeente Medemblik tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

- € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B],

- € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B],

- € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 C], en

- € 277,80 (zegge: tweehonderdzevenenzeventig euro en tachtig eurocent) aan [appellant sub 4] en anderen,

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof, thans gemeente Medemblik, aan [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B] en [appellant sub 3 C], [appellant sub 4] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. [appellant sub 4], leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

163.