Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
200905125/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Landgoed Gulbergen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905125/1/M3.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Eindhoven,

2. [appellanten sub 2], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

3. de erven van [appellant sub 3], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

4. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en de stichting Stichting Middengebied, gevestigd te Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Landgoed Gulbergen".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2009, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, de erven [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, en de stichtingen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2009, beroep ingesteld. De erven [appellant sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2011, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. W.A. Braams, advocaat te Rosmalen, [appellanten sub 2], in de persoon van [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, de erven [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. M.A. de Boer, en de stichtingen, vertegenwoordigd door I.F. Hoenderbos en C. Houtepen, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, vertegenwoordigd door C.M.G. Schoof en ing. M.J.A. Ras, beiden werkzaam bij de gemeente, Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE), vertegenwoordigd door drs. C. Turner en drs. W. Feron, beiden werkzaam bij SRE, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Refelingsewal Nuenen B.V., vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellante sub 1] betoogt dat aan het perceel [locatie] ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Zij voert daartoe aan dat de daarop gelegen woning sinds 1946 permanent wordt bewoond, dat bij de heffing van gemeentelijke belastingen wordt uitgegaan van een woning, dat het provinciaal en rijksbeleid zich niet tegen een woonbestemming verzet, dat het gebruik als recreatiewoning ongewenst is en dat het gelijkheidsbeginsel zich verzet tegen de toegekende bestemming "Bos", waaronder mede begrepen verblijfsrecreatie.

2.2.1. Het college brengt naar voren dat in het voorgaande bestemmingsplan "Industrieterrein Eenheid" de betreffende woning niet een woonbestemming had. Het college gaat ervan uit dat met het verlenen van een bouwvergunning op 18 juni 1985 de woning als vakantiewoning is gelegaliseerd. Het college voert voorts aan dat de woning in de Ecologische Hoofdstructuur is gelegen en dat gelet op de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: VROM) van 10 oktober 2003 hieraan geen woonbestemming mag worden toegekend.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200800719/1) geeft de brief van de minister van VROM van 10 oktober 2003 gemeenten de opdracht om mede op basis van de provinciale beleidskaders te bezien welke recreatiewoningen in aanmerking komen voor een bestemmingswijziging, positieve beschikking, dan wel handhaving.

De raad heeft overeenkomstig zijn Beleidsnota illegale woningen van 29 maart 1984 het pand [locatie] niet als woning bestemd.

2.2.3. Niet in geschil is dat de recreatiewoning sinds vele jaren permanent wordt bewoond. De omstandigheid dat het gebruik al gedurende lange tijd gaande is, brengt, anders dan [appellante sub 1] betoogt, niet met zich dat om die reden een woonbestemming diende te worden toegekend, nu permanente bewoning onder het vorige plan evenmin was toegestaan.

Ten aanzien van het betoog dat bij de heffing van gemeentelijke belastingen wordt uitgegaan van permanente bewoning, overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken naar voren heeft gebracht dat de Wet waardering onroerende zaken objecten naar feitelijk gebruik en niet naar planologische bestemming waardeert, zodat dit betoog niet kan leiden tot het beoogde doel.

Dat, zoals [appellante sub 1] betoogt, het provinciaal en rijksbeleid niet aan een woonbestemming voor deze woning in de weg staan, wat daarvan ook zij, betekent, gelet op de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen vast te stellen, niet dat de raad gehouden was om aan deze woning een woonbestemming toe te kennen.

Voorts heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke gevolgen van het gebruik voor permanente bewoning beperkter zijn dan die van het gebruik als recreatiewoning, nu een permanente woonsituatie in het algemeen een intensiever gebruik met zich brengt.

2.2.4. Ten aanzien van de door [appellante sub 1] gemaakte vergelijking met de woning Gulberg 1a, ook wel aangeduid als Gulberg 2a, hebben het college en de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in de door de raad bij de vaststelling van het plan tot uitgangspunt genomen "Beleidsuitgangspunten en toetsingskader met betrekking tot de bouwmogelijkheden van de "ex illegale woningen" in de gemeente Nuenen" van het college van burgemeester en wethouders van 20 november 1984, het voornemen is geformuleerd om te zijner tijd de woning Gulberg 2a als permanente woning te bestemmen en de woning [locatie] als niet-permanente woning te bestemmen. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellante sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.2.5. Ten aanzien van de door [appellante sub 1] gemaakte vergelijking met de woningen Gulberg 1, 2, 3 en 5 hebben het college en de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat bedoelde woningen in het voorgaande bestemmingsplan reeds als zodanig waren bestemd. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellante sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.3. [appellanten sub 2] betogen dat het college onderhavig bestemmingsplan voor zover het een tuincentrum mogelijk maakt ten onrechte heeft goedgekeurd, nu het college tevens ten behoeve van de verwezenlijking van een tuincentrum een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft afgegeven met het oog op het verlenen van vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.3.1. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen de samenloop van een procedure over een nieuw bestemmingsplan en een procedure over een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van een oud bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten sub 2] betogen dat ten onrechte geen alternatieve locaties voor de vestiging van een tuincentrum zijn onderzocht nu de gekozen locatie ter plaatse van een voormalige vuilstort in een bosrijke omgeving ongeschikt is.

2.4.1. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat bij haar uitspraak van 22 april 2009 (in zaak nr. 200806660/1/M1) de instemming van het college met het 'Hergebruikplan voormalig stort aan de Parallelweg te Nuenen' alsmede de ontheffing van het college om een deel van de voormalige stortplaats in te richten als tuincentrum onherroepelijk zijn geworden. Tevens is daarbij in aanmerking genomen dat volgens de provinciale beleidsbrief 'Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen' uit 2004 de vestiging van een tuincentrum in een kernrandzone, zoals in dit geval, de voorkeur verdient.

2.5. [appellanten sub 2] stellen dat de omvang van de in het tuincentrum toegestane horeca onduidelijk is.

2.5.1. Artikel 1, aanhef en onder 30, van de planvoorschriften bepaalt dat in deze voorschriften onder ondergeschikt gebruik wordt verstaan gebruik dat niet meer dan 35% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte in beslag neemt. Uit artikel 7, lid 7.1, van de planvoorschriften volgt dat de betrokken gronden mede zijn bestemd voor horeca die ondergeschikt is aan het tuincentrum. In lid 7.2 is bepaald dat het tuincentrum een samengesteld assortiment met een verdeling in productgroepen heeft en dat voor horeca een percentage van 5 geldt.

Uit deze bepalingen in onderlinge samenhang gelezen is voldoende duidelijk dat de omvang van de in het tuincentrum toegestane horeca niet meer dan 5% van de vloeroppervlakte mag beslaan. Het betoog faalt.

2.6. [appellanten sub 2] vrezen hinder vanwege de in het plan mogelijk gemaakte parkeervoorzieningen.

2.6.1. Niet in geschil is dat het bestreden plandeel toestaat dat parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd op ongeveer 3 meter afstand van de percelen van [appellanten sub 2]. De raad noch het college hebben voorafgaand aan het bestreden besluit specifiek onderzoek verricht naar de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat voor [appellanten sub 2]. Dergelijk onderzoek was te meer aangewezen, nu vast staat dat van het tuincentrum een grote verkeersaantrekkende werking te verwachten is. Verder is gebleken dat tussen het bestreden plandeel en de percelen van [appellanten sub 2] een hoogteverschil van ongeveer 2 meter aanwezig is. Dit hoogteverschil kan van belang zijn voor de mate waarin hinder ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 2] kan optreden.

2.6.2. Dat het college heeft beoogd de goedkeuring aan het plandeel te koppelen aan het bouwplan waarvoor het op 26 mei 2009 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft afgegeven, doet aan deze overweging niet af nu ten tijde van het bestreden besluit deze verklaring nog niet was afgegeven.

Evenmin is van belang dat op 13 oktober 2009 bij wijzigingsbesluit vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is gekoppeld aan het inrichtingsplan volgens welk de dichtstbijzijnde parkeerplaatsen op ten minste 30 meter van de woningen van [appellanten sub 2] liggen. Ook dit besluit dateert immers van na het bestreden besluit.

2.6.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Detailhandel, tuincentrum" dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Detailhandel, tuincentrum".

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellanten sub 2] geen bespreking meer.

2.7. De erven [appellant sub 3] en de stichtingen betogen dat de Flora- en faunawet aan het plandeel met de bestemming "Recreatie, evenemententerrein" in de weg staat.

2.7.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7.2. In de plantoelichting is vermeld dat de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied in 2007 wordt geïnventariseerd. Tevens is vermeld dat het nodig kan zijn om te zijner tijd ten behoeve van de uitvoering van het plan voor bepaalde soorten ontheffing op grond van de Flora- en faunawet aan te vragen. Uit het dossier blijkt niet dat een inventarisatie van beschermde soorten in het plangebied is uitgevoerd. Bijgevolg is niet bekend welke soorten daadwerkelijk in het gebied voorkomen, of hiervoor ontheffing nodig is en zo ja, of deze kan worden verleend. In het licht hiervan heeft het college met de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.7.3. De conclusie is dat hetgeen de erven [appellant sub 3] en de stichtingen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatie evenemententerrein", wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatie, evenemententerrein".

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van de erven [appellant sub 3] en de stichtingen geen bespreking meer.

2.7.4. Aan het betoog van de erven [appellant sub 3] dat het plandeel met de bestemming "Recreatie, evenemententerrein" zonder ongeoorloofde staatssteun niet uitvoerbaar is, wordt niet toegekomen. Met het oog op het eventueel in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan wijst de Afdeling op het ter zake relevante toetsingskader, zoals dat is uiteengezet in de uitspraak van 13 april 2011 (zaak nr. 200905023/1/R3).

2.8. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 2], de erven [appellant sub 3] en de stichtingen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], de erven van [appellant sub 3] en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de stichting Stichting Middengebied gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 mei 2009, kenmerk 1465382, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Detailhandel, tuincentrum" en "Recreatie, evenemententerrein";

III. onthoudt goedkeuring aan de plandelen met de bestemmingen "Detailhandel, tuincentrum" en "Recreatie, evenemententerrein";

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de erven van [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de stichting Stichting Middengebied in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 40,11 (zegge: veertig euro en elf cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de erven van [appellant sub 3] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de stichting Stichting Middengebied vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

579-218.