Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201008117/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft de minister de aan de Maastricht School of Management (hierna: MSM) verleende subsidie ten behoeve van een beurs voor [appellante] met ingang van dezelfde dag ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201008117/1/H2.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2010 in zaak

nr. 08/4583 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, thans: de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft de minister de aan de Maastricht School of Management (hierna: MSM) verleende subsidie ten behoeve van een beurs voor [appellante] met ingang van dezelfde dag ingetrokken.

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 september 2010.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.M. Singh, advocaat te Den Haag, vergezeld van R. Ritveld, T. Feyisipo, A. Kendo en B.O. Asienim, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.A. van Herpen en en drs. N. Barata, beiden werkzaam bij de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (hierna: de Nuffic), vergezeld van mr. M.A.G. Rutten-Klerckx en P.W.J. Mans, beiden werkzaam bij MSM, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken kan de minister subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het beleid ten aanzien van het bevorderen van ontwikkelings- en transitieprocessen in andere landen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepaald en worden nadere regels voor die verstrekking vastgesteld.

Ingevolge artikel 6.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (hierna: de Subsidieregeling) kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan de uitvoering van internationaal onderwijs en onderzoek dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling en uitvoering van het beleid van de minister op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Ingevolge artikel 6.4, aanhef en onder c, kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die in ontwikkelingslanden strekken tot of dienstig zijn aan het vergroten van de capaciteit en de kwaliteit van menselijke hulpbronnen.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder b, komen met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in artikel 6.4, voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van financiële ondersteuning van studerenden in of afkomstig uit ontwikkelingslanden.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. (…);

d. (…);

e. (…).

2.2. Bij besluit van 17 november 2004 heeft de minister aan MSM € 74.000,00 subsidie verleend voor het promotieonderzoek van [appellante] in Nederland in de periode van 1 maart 2005 tot 1 maart 2009. Deze subsidie is verstrekt in het kader van de Netherlands Fellowship Programmes (hierna: de NFP). MSM beheert deze subsidie en bekostigt hieruit de studiekosten, maandelijkse toelagen aan [appellante], studiemateriaal en verzekeringen.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de minister deze subsidie ingetrokken, omdat [appellante] volgens hem het programma voor haar promotie niet zonder onderbreking zou kunnen voortzetten.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de minister, voor zover hier van belang, de intrekking herroepen, de subsidie aan MSM voortgezet tot uiterlijk 31 december 2009 en hieraan vijf voorwaarden verbonden.

[appellante] heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In verband met het verzoek van [appellante] om een andere promotor, te weten dr. S.W.F. Omta, verbonden aan de Wageningen Universiteit en Research Centre (hierna: de WUR), zijn op de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op 26 juni 2007 hierover afspraken gemaakt en heeft [appellante] het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Bij uitspraak van 25 juni 2008 heeft de rechtbank Maastricht het beroep ongegrond verklaard. Het door [appellante] tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft de Afdeling bij uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200806147/1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft de minister de aan MSM verleende subsidie ingetrokken. Aan deze in bezwaar gehandhaafde intrekking heeft de minister ten grondslag gelegd dat voortgang van het onderzoek van [appellante] bij MSM niet reëel is, het niet gelukt is bij een andere instelling ingeschreven te worden onder begeleiding van een promotor en er niet meer voldoende beursmiddelen beschikbaar zijn om het beoogde doel te behalen. Voorts heeft de minister daarbij betrokken dat [appellante] zich niet heeft gehouden aan de regels en voorschriften van de NFP en evenmin aan andere voorwaarden die aan de beurs zijn gesteld, zoals de in het besluit op bezwaar van 15 maart 2007 opgenomen voorwaarden inzake het opstellen van een tijdsplan en een begroting en de voorwaarden in het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 26 juni 2007. Aangezien [appellante] zich niet heeft gehouden aan de regels van het programma, vergt het algemeen belang in het kader van de rechtseenheid en rechtsgelijkheid, dat de beurs wordt ingetrokken, aldus de minister.

2.3. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de gebreken die volgens haar kleven aan besluiten die aan de thans voorliggende intrekking van de subsidie zijn voorafgegaan, wordt buiten bespreking gelaten omdat die besluiten niet onderwerp van het geschil zijn en rechtens onaantastbaar zijn.

2.4. Het betoog van [appellante] dat het besluit op bezwaar van 13 oktober 2008 onbevoegd is genomen, faalt. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit Mandatering bevoegdheden uitvoering programma's Internationaal Onderwijs van 3 december 2002 (Stcrt. 2002, nr. 235), gewijzigd bij Besluit van 23 februari 2006 (Stcrt. 2006, nr. 45) en voor zover thans van belang, is aan de voorzitter van de Stichting Nuffic mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen op bezwaarschriften tegen besluiten inzake subsidieverstrekking op grond van de artikelen 6.1, 6.4 en 6.5 van de Subsidieregeling. Het besluit op bezwaar van 13 oktober 2008 is genomen namens de minister en ondertekend door de Algemeen Directeur, in de persoon van S.P. van den Eijnden. Uit het door de staatssecretaris overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel kan worden afgeleid dat Van den Eijnden de voorzitter van de Nuffic is. Het besluit op bezwaar is derhalve bevoegd genomen. De interne verhouding tussen de voorzitter van de Nuffic en de Raad van Toezicht van de Nuffic staat geheel los van de mandatering en kan dus niet tot een ander oordeel leiden.

2.5. [appellante] betoogt, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister bevoegd is de subsidie in te trekken.

2.5.1. Bij het besluit op bezwaar van 15 maart 2007 is de termijn waarbinnen het promotieonderzoek van [appellante] moet zijn afgerond verschoven naar uiterlijk 31 december 2009 en daarbij zijn de volgende aanvullende voorwaarden gesteld:

- MSM en [appellante] dienen voor 24 maart 2007 in onderling overleg tot overeenstemming te komen over een tijdschema en begroting, die zij ter goedkeuring dienen voor te leggen aan de Nuffic. Als deze deadline niet wordt gehaald, is dit aanleiding tot intrekking van de beurs.

- [appellante] dient zich strikt aan het tijdschema en de begroting te houden. MSM en de Nuffic zullen hierop toezien. Elke afwijking van schema en budget levert voldoende grond op de beurs in te trekken.

- MSM voert de administratie over de beurs en onderhoudt de contacten met [appellante].

- elke wens om af te wijken van tijdschema en begroting dient vooraf ter schriftelijke goedkeuring te worden voorgelegd aan de Nuffic door MSM.

- alle andere kosten zal [appellante] uit eigen middelen dienen te bekostigen.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 10 juni 2009 geoordeeld dat de minister deze voorwaarden in redelijkheid heeft kunnen opnemen in het besluit van 15 maart 2007. Dat besluit staat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met die uitspraak van de Afdeling in rechte vast.

Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de op de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 26 juni 2007 door partijen gemaakte afspraken niet in de plaats treden van de bij besluit van 15 maart 2007 gestelde voorwaarden, maar daarop een aanvulling zijn. Deze afspraken hebben specifiek betrekking op de door [appellante] gewenste wijziging van promotor, terwijl de voorwaarden in het besluit van 15 maart 2007 inzake het opstellen van een begroting en tijdschema de voortgang van het onderzoek in algemene zin betreffen.

2.5.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] de conclusie van de minister dat [appellante] bij MSM geen voortgang meer boekt, niet betwist. De rechtbank heeft over het gebrek aan voortgang terecht overwogen dat [appellante] in 2007 heeft verzocht om een andere promotor, op de zitting van de voorzieningenrechter op 26 juni 2007 hierover afspraken zijn gemaakt, de WUR haar reeds op 12 februari 2008 heeft bericht dat zij niet kon worden ingeschreven en zij pas op 16 juli 2008 een overeenkomst met de WUR heeft getekend. Uit die overeenkomst kan worden afgeleid dat het promotieonderzoek nog 48 maanden zal duren en meer dan € 50.000,00 zal kosten. De rechtbank heeft overwogen dat ten tijde van het besluit van 21 mei 2008 evenwel nog slechts € 40.201,00 van de beurs beschikbaar was, hetgeen [appellante] in hoger beroep niet heeft bestreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] verantwoordelijk moet worden geacht voor het grootste deel van de vertraging. Daarbij is betrokken dat de tijd die is gemoeid met de door [appellante] verzochte wisseling van promotor aan [appellante] dient te worden toegeschreven en de minister de termijn voor het onderzoek al heeft verlengd met tien maanden. De rechtbank had in het betoog van [appellante] dat zij intensief bezig is geweest om de voortzetting van haar promotieonderzoek op de WUR mogelijk te maken, geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. [appellante] wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij gedwongen was om een andere promotor te vragen nu haar promotor het promotierecht niet meer had. Uit de brief van de Rector Magnificus van de WUR van 21 juni 2007 volgt dat de door MSM aangewezen promotor, dr. J.C. van Dalen, beschikt over promotierechten tot 8 juli 2011, zodat [appellante] voor die tijd ruimschoots haar promotieonderzoek had kunnen afronden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 13 oktober 2008 duidelijk was dat [appellante] niet meer aan de subsidievoorwaarde dat uiterlijk 31 december 2009 het onderzoek moet zijn afgerond kon voldoen en dat ook de resterende middelen niet meer toereikend waren om het promotieonderzoek nog binnen de resterende tijd succesvol af te ronden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de minister reeds op grond hiervan bevoegd was tot intrekking van de subsidie.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de minister verrichte belangenafweging de toets in rechte kan doorstaan en dat de minister in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de subsidie in te trekken. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de minister in redelijkheid niet kon vasthouden aan de gestelde voorwaarden. Niet is gebleken dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Dat [appellante] aan het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 26 juni 2007 het vertrouwen heeft ontleend dat MSM medewerking zou verlenen aan de voortzetting van het promotieonderzoek bij de WUR, zoals zij zelf stelt, betekent niet dat dit de minister kan worden aangerekend, in die zin dat hij niet heeft kunnen overgaan tot intrekking van de subsidie.

Het aanbod van [appellante] om een overschrijding van het toegekende budget voor haar rekening te nemen, laat onverlet dat er voldoende andere gronden waren om tot intrekking van de subsidie over te gaan. Gelet hierop was de rechtbank ook niet gehouden op dit aanbod in te gaan.

Dat de rechtbank niet is ingegaan op het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel, leidt evenmin tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. In beroep heeft [appellante] aangevoerd dat ook andere bursalen vertraging hebben opgelopen. Daarmee gaat zij eraan voorbij dat niet alleen het enkele feit van de vertraging heeft geleid tot de intrekking van de subsidie, maar dat daaraan ook ten grondslag ligt dat niet aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden is voldaan.

2.7. Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de NFP in strijd is met de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Whw), heeft zij die strijdigheid niet benoemd zodat het betoog reeds daarom niet slaagt. Het betoog van [appellante] dat de intrekking van de subsidie in strijd is met de Whw omdat haar promotor noch MSM het promotierecht hebben, slaagt evenmin. Zoals hiervoor onder 2.5.2 is overwogen had de door MSM aan [appellante] toegewezen promotor het promotierecht tot 8 juli 2011. Voorts hebben de docenten van de MSM weliswaar geen promotierecht, maar werkt MSM samen met hoogleraren die wel beschikken over dat recht.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. [appellante] heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade op de voet van artikel 8:73 van de Awb. Een dergelijke schadevergoeding kan alleen worden toegekend indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard. Die situatie doet zich niet voor, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

18-609.