Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201011582/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom, voor zover hier van belang, gelast de overkapping op het perceel [locatie] te Tubbergen (hierna: het perceel) te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011582/1/H1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Tubbergen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 oktober 2010 in zaak nr. 10/460 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom, voor zover hier van belang, gelast de overkapping op het perceel [locatie] te Tubbergen (hierna: het perceel) te verwijderen.

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2010, verzonden op 21 oktober 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. M.H.J.R. Hesselink, en het college, vertegenwoordigd door C.I. Migchielsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De overkapping heeft een oppervlakte van ongeveer 123 m² en staat circa 25 jaar op het verder onbebouwde perceel.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

2.3. De overkapping is in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet zonder de daartoe vereiste bouwvergunning gerealiseerd en in stand gelaten. Het college was derhalve bevoegd tot handhavend optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van concreet zicht op legalisering omdat de overkapping bij de integrale herziening van het bestemmingsplan van een positieve bestemming had moeten worden voorzien, waarna daarvoor bouwvergunning zou kunnen worden verleend.

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het voornemen de ontheffing en bouwvergunning te weigeren rechtens onhoudbaar is. De omstandigheid dat een ambtenaar voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" te kennen zou hebben gegeven dat de overkapping in het bestemmingsplan zou worden opgenomen, betekent, wat daar ook van zij, niet dat sprake is van een rechtens te honoreren verwachting dat deze positief zou worden bestemd. Er is geen sprake van een toezegging van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, in dit geval de gemeenteraad.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ingevolge tijdsverloop en het niet daadkrachtig optreden tegen de aanwezigheid van de overkapping, zijn recht op handhaving heeft verwerkt.

2.6.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200901487/1, terecht overwogen dat het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. De omstandigheid dat verscheidene handhavingsmaatregelen uiteindelijk niet zijn geëffectueerd, kan niet leiden tot het oordeel dat [appellante] er gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat het college niet meer handhavend zou optreden tegen de overkapping op het perceel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

17-713.