Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201011573/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Oosterblokker (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011573/1/H1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Oosterblokker, gemeente Drechterland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 oktober 2010 in zaak nr. 09/1888 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Drechterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te Oosterblokker (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2011, waar het college vertegenwoordigd door J. van den Bos is verschenen. [appellanten] bijgestaan door mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar, zijn, na bericht van verhindering, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oosterblokker" rust op het perceel de bestemming "Woningen met tuinen en erven (Wa)".

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder 3b, van de planvoorschriften dient de afstand van woningen tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 2 m te bedragen.

Ingevolge het derde lid, onder 2a, kunnen burgemeesters en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid, onder b, onder 3, voor het bouwen van een woning tot de zijdelingse perceelgrens.

2.2. Het bouwplan voorziet in het geheel vernieuwen en uitbreiden van de bestaande woning. Het bouwplan leidt ertoe dat de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens minder dan 2 m is. Voorts voorziet het bouwplan in het realiseren van een aanbouw.

2.3. Het bouwplan is wat de afstand tot de zijdelingse perceelgrens betreft in strijd is met het bestemmingsplan. Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 4, derde lid, onder 2a, van de planvoorschriften vrijstelling verleend voor het bouwen van een woning tot op de zijdelingse perceelgrens.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen om het bouwplan te realiseren. Zij voeren aan dat als gevolg van het bouwplan de toetreding van licht en lucht, gelet op het bepaalde in artikel 5:37 in samenhang gelezen met artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, op onrechtmatige wijze wordt verminderd.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701608/1) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezen rechter om de vraag te beantwoorden, of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.4.2. [appellanten] hebben hun betoog met betrekking tot het verminderen van het licht niet nader toegelicht. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen, dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij het advies van de welstandscommissie Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: welstandscommissie) onvoldoende hebben weersproken. Ter motivering voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, nu het vergunde bouwwerk geen dorpskarakter heeft en afwijkt van de oude woning. Volgens [appellanten] behoefden zij ter staving van hun stelling geen advies van een andere deskundige over te leggen, nu de welstandscommissie slechts een ongemotiveerd advies heeft uitgebracht.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook kan laatstgenoemde omstandigheid aanleiding geven tot het oordeel, dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten, die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.5.2. Het college heeft zijn besluit gebaseerd op het advies van de welstandscommissie van 10 januari 2009. Dit advies dient te worden gelijkgesteld met een zogenoemd stempeladvies, aangezien het slechts de mededeling bevat dat het bouwplan, na aanpassing, voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr. 200502588/1) dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het welstandsoordeel mag niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Nu de aangevoerde argumenten zich uitsluitend richten tegen de rechtstreeks uit het bestemmingsplan voortvloeiende mogelijkheid om een bouwwerk van de gewenste omvang te realiseren, was het college niet gehouden om een motivering te vragen aan de welstandscommissie en kon het volstaan met verwijzing naar het uitgebrachte stempeladvies.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat verlening van de vrijstelling in strijd is met de "Beleidsregels met betrekking tot harmonisatie Ruimtelijke Ordeningsbeleid, hoofdstuk beleidsregels voor woningbouw in Linten" (hierna: de beleidsregels). Zij voeren aan dat de beleidsregels van toepassing zijn in de gevallen dat een binnenplanse vrijstelling is aangevraagd. Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan de beleidsregels. Bovendien had het college moeten motiveren waarom van de beleidsregels is afgeweken nu de vrijstelling in strijd met de beleidsregel is afgegeven, aldus [appellanten].

2.6.1. De beleidsregels zijn vastgesteld door de gemeenteraad van Drechterland en op 21 november 2007 bekendgemaakt. In onderdeel 2 van de beleidsregels is vermeld dat uitbreiding van het aantal woningen niet is toegestaan behalve in de in het hoofdstuk genoemde gevallen. Nu in dit geval geen sprake is van uitbreiding van het aantal woningen, maar van vervangende nieuwbouw, staan de beleidsregels reeds daarom niet in de weg aan het verlenen van de gevraagde vrijstelling. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beleidsregels niet van toepassing zijn.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

17-712.