Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1407

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201106323/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 23 februari 2010 en 23 maart 2010 heeft het college aan de vereniging vrijstelling, respectievelijk bouwvergunning verleend voor de bouw van een moskee met bijbehorende ruimtes op het perceel aan de Stedekestraat 27 en 29 te Tilburg (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106323/2/H1.

Datum uitspraak: 7 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vereniging "Marokkaanse Vereniging Masjid El-Feth" (hierna: de vereniging), gevestigd te Tilburg,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2011 in zaken nrs. 10/4710, 10/4711, 10/4712, 10/4713, 10/5472, 10/5474 10/5475 in het geding tussen:

[wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], [wederpartij D], [wederpartij E], [wederpartij F], [wederpartij G] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 23 februari 2010 en 23 maart 2010 heeft het college aan de vereniging vrijstelling, respectievelijk bouwvergunning verleend voor de bouw van een moskee met bijbehorende ruimtes op het perceel aan de Stedekestraat 27 en 29 te Tilburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college het door [wederpartij] tegen de besluiten van 23 februari 2010 en 23 maart 2010 gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de besluiten van 23 februari 2010 en 23 maart 2010 geschorst tot zes weken na het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, heeft de vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juni 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door A. Barkane en bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door L.M.A. Pols, W. Maas en K.A.W. van Riel, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij], bijgestaan door K.M. Peters, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen, nu het bouwplan voorziet in de aanleg van onvoldoende parkeerplaatsen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 augustus 2010 in zaak nrs. 201005974/1/H1 en 201005974/2/H1), dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaand tekort mag buiten beschouwing worden gelaten.

Volgens de vereniging kan uit deze jurisprudentie en de omstandigheid dat het bouwplan betrekking heeft op de bouw van een moskee op dezelfde locatie waar thans een te slopen fabriekshal staat die tot medio 2006 ook als moskee is gebruikt, worden afgeleid dat het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan alleen hoeft rekening te houden met de toename in parkeerbehoefte voor zover deze betrekking heeft op ander gebruik dan het voortgezette gebruik als moskee.

2.3. De vraag of deze jurisprudentie ook ziet op de situatie als onderhavige moet in de bodemprocedure worden beantwoord. De voorzitter is van oordeel dat nu de rechtbank in eerste aanleg die vraag gemotiveerd ontkennend heeft beantwoord en in verband daarmee ook het primaire besluit heeft geschorst, opheffing van de schorsing op de grond dat dat oordeel onjuist is, slechts zou moeten plaatsvinden, als dat oordeel van de rechtbank in de gegeven situatie op voorhand onjuist moet worden geacht. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat opheffing van de door de bodemrechter uitgesproken schorsing waardoor alsnog van de bouwvergunning en vrijstelling gebruik zou kunnen worden gemaakt moeilijk omkeerbare gevolgen zou hebben.

2.4. De voorzitter is van oordeel dat de hiervoor gestelde vraag niet op voorhand bevestigend kan worden beantwoord, waarbij hij het volgende in aanmerking neemt. De parkeerbehoefte van de in de fabriekshal gevestigde moskee is, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, niet getoetst toen de fabriekshal als moskee in gebruik werd genomen. Voorts ziet het bouwplan op algehele nieuwbouw van de moskee en sloop van het fabrieksgebouw. Er ontstaat dus feitelijk een geheel nieuwe situatie. Bovendien is sinds 2006 een aantal jaren verstreken. Ook is de parkeerbehoefte die samenhangt met het gebruik als moskee in het in 2006 vastgesteld en in 2007 onherroepelijk geworden bestemmingsplan niet geregeld.

2.5. Ter zitting is door de vereniging nog betoogd dat het bouwplan voorziet in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen, ook indien er bij het bepalen van de parkeerbehoefte van wordt uitgegaan dat het bouwplan betrekking heeft op een nieuwe situatie. Dat wordt door [wederpartij] bestreden. De voorzitter gaat daaraan voorbij, reeds omdat het hoger beroepschrift noch het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening daarop is gebaseerd en daarover thans ook onvoldoende zekerheid bestaat.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2011

543.