Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
201012073/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BO2964, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 16 maart 2010 heeft het college besloten de bushalte Esbeekseweg Oost aan de oostzijde van de Esbeekseweg te verplaatsen naar de zuidzijde van het plateau op de kruising van de Esbeekseweg met de Lowerik, zoals weergegeven op de bij het besluit gevoegde tekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012073/1/H3.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Esbeek, gemeente Hilvarenbeek (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 27 oktober 2010 in zaken nrs. 10/4083 en 10/4084 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1. Procesverloop

Op 16 maart 2010 heeft het college besloten de bushalte Esbeekseweg Oost aan de oostzijde van de Esbeekseweg te verplaatsen naar de zuidzijde van het plateau op de kruising van de Esbeekseweg met de Lowerik, zoals weergegeven op de bij het besluit gevoegde tekening.

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2010, verzonden op 2 november 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.C.M. Martens, advocaat te Goirle, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Morel en mr. J. Gielen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder e, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 mag een bestuurder zijn voertuig niet laten stilstaan bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord.

Ingevolge het tweede lid geldt onderdeel e van het eerste lid niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

2.2. Het college heeft aan het verplaatsen van de bushalte Esbeekseweg Oost ten grondslag gelegd dat het bushaltes beter toegankelijk wil maken voor mindervaliden in het kader van het rijks- en provinciaal beleid. Volgens het college is de locatie voor de woning van [appellant] de meest geschikte plaats om een bushalte te verwezenlijken, die voldoet aan de eisen die de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: de Wgbh/cz) gaat stellen aan de toegankelijkheid voor mindervaliden van het openbaar vervoer. Het college wil een bushalte realiseren waar mindervaliden eenvoudiger kunnen in- en uitstappen, hetgeen een bushalte vereist met een hoog platform en met grotere afmetingen dan de huidige bushalte. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat met het plaatsen van de bushalte op de in het geding zijnde locatie wordt voldaan aan de randvoorwaarde van de provincie Noord-Brabant en Veolia Transport Brabant N.V., dat halteparen zo dicht mogelijk bij elkaar moeten zijn gelegen, nu de bushalte zal worden geplaatst in de directe nabijheid van de bushalte Esbeekseweg West.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de in het geding zijnde locatie het meest geschikt is en dat [appellant] door het verplaatsen van de bushalte niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Hiertoe voert [appellant] aan dat de te verplaatsen bushalte de toegang via de tweede inrit naar de achtertuin bij zijn woning zal belemmeren. Voorts heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat hij schade zal lijden als gevolg van de waardevermindering van zijn woning door het onbruikbaar worden van de tweede inrit en de hinder als gevolg van een vermindering van zijn privacy en uitzicht, alsmede geluidsoverlast. Tevens zal volgens [appellant] door het verplaatsen van de bushalte een verkeersonveilige situatie worden gecreëerd. Verder betoogt [appellant] dat het verkeersbesluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college verscheidene keren is overgegaan tot het wijzigen van de locatie na bezwaren van omwonenden, terwijl de bezwaren van [appellant] ongegrond zijn verklaard. Ook zijn volgens [appellant] het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden, nu het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het juist een bushalte wil plaatsen die beter toegankelijk is voor mindervaliden voor de woning van [appellant]. Ten slotte zijn voldoende alternatieve locaties aanwezig waar de bushalte kan worden geplaatst, aldus [appellant].

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat aan het college bij het nemen van een besluit, als hier aan de orde, een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het college om de verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.3.2. Het college wil met de verplaatsing van de bushalte naar de betrokken locatie een bushalte verwezenlijken die de toegankelijkheid voor mindervaliden van het openbaar vervoer bevordert in overeenstemming met het rijks- en provinciaal beleid en de eisen die de Wgbh/cz zal gaan stellen. Met betrekking tot het argument van [appellant] dat hij geen gebruik meer zal kunnen maken van de tweede inrit aan de noordzijde van zijn woning, heeft het college terecht in aanmerking genomen dat voor de tweede inrit geen uitwegvergunning is verleend en [appellant] over het busplateau reed om via de tweede inrit zijn achtertuin te bereiken. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat [appellant] relatief beperkt gebruik maakt van de tweede inrit en de werkzaamheden in de achtertuin ook via de eerste inrit dan wel met een kruiwagen kunnen worden uitgevoerd. Voor zover [appellant] stelt schade te lijden als gevolg van de waardevermindering van zijn woning door het verplaatsen van de bushalte, heeft het college zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat in het door [appellant] overgelegde taxatierapport de waarde van de tweede inrit is meegewogen, terwijl die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet als zodanig is toegestaan. Voorts blijkt uit het door het college overgelegde taxatierapport dat de verplaatsing van de bushalte een waardevermindering van € 15.000,00 van het huis van [appellant] met zich brengt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze schade niet opweegt tegen het belang gelegen in het toegankelijk maken van het openbaar vervoer voor mindervaliden. Indien [appellant] vergoeding van de door hem gestelde schade wenst, kan hij het college verzoeken een besluit om schadevergoeding te nemen. Verder heeft het college te kennen gegeven dat de abri zo veel mogelijk uit het volle zicht van [appellant] zal worden geplaatst, zodat rekening is gehouden met de vermindering van diens privacy en uitzicht, geluidsoverlast en de verkeersveiligheid.

2.3.3. Ook het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het college heeft verscheidene alternatieve locaties onderzocht voor het plaatsen van de bushalte, maar deze bleken minder geschikt te zijn. De in het geding zijnde locatie is volgens het college het meest geschikt, omdat deze voldoet aan de randvoorwaarde dat halteparen zo dicht mogelijk bij elkaar worden geplaatst. Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor, zodat zich geen gelijke gevallen voordoen. De omstandigheid dat volgens [appellant] geschiktere alternatieven bestaan, doet aan dit oordeel niet af. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het besluit van 12 augustus 2010 is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

2.3.4. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de in het geding zijnde locatie het meest geschikt is, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De betogen falen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

419-697.