Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
201100636/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing door de bestuursrechter is beperkt tot voorschriften van openbare orde. Daarbuiten doet de rechter ingevolge artikel 8:69 van de Awb uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, waarbij hij ambtshalve de rechtsgronden aanvult en ambtshalve de feiten kan aanvullen.

Hoewel uit de uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201100079/1/V3 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de in de Terugkeerrichtlijn opgenomen bepalingen geen voorschriften van openbare orde bevatten, zodat een ambtshalve toetsing van die bepalingen bij een beoordeling van een bewaringsmaatregel in zoverre niet aan de orde is, laat dat onverlet de verplichting van de rechter op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.

Nu de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbrak, heeft de rechtbank die beroepsgrond terecht mede in het licht van de Terugkeerrichtlijn en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/198 met annotatie van R.J.G.M. Widdershoven
JV 2011/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100636/1/V3.

Datum uitspraak: 4 juli 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 7 januari 2011 in zaak nr. 10/44354 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 december 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister primair dat de rechtbank, door bij haar beoordeling van de door de vreemdeling aangevoerde beroepsgrond dat in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 30 november 2009, C 357/09 PPU, Kadzoev (hierna: het arrest Kadzoev; www.curia.europa.eu) te betrekken, buiten de grenzen van het geschil is getreden. Daartoe voert de minister aan dat de door de rechtbank aangehaalde overwegingen uit het arrest Kadzoev louter zien op de uitleg van artikel 15, vierde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), terwijl de vreemdeling zich niet op die richtlijn heeft beroepen en het arrest Kadzoev evenmin ter zitting bij de rechtbank aan de orde is geweest.

2.1.1. Ambtshalve toetsing door de bestuursrechter is beperkt tot voorschriften van openbare orde. Daarbuiten doet de rechter ingevolge artikel 8:69 van de Awb uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, waarbij hij ambtshalve de rechtsgronden aanvult en ambtshalve de feiten kan aanvullen.

Hoewel uit de uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201100079/1/V3 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de in de Terugkeerrichtlijn opgenomen bepalingen geen voorschriften van openbare orde bevatten, zodat een ambtshalve toetsing van die bepalingen bij een beoordeling van een bewaringsmaatregel in zoverre niet aan de orde is, laat dat onverlet de verplichting van de rechter op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.

Nu de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbrak, heeft de rechtbank die beroepsgrond terecht mede in het licht van de Terugkeerrichtlijn en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoordeeld.

In zoverre faalt de grief.

2.1.2. Subsidiair klaagt de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen zicht op uitzetting van de vreemdeling naar Marokko bestaat. Dit oordeel heeft de rechtbank met name gebaseerd op de verklaring van het Marokkaanse Consulaat Generaal te Rotterdam van 4 december 2009 dat geen (nieuwe) laissez passer zal worden afgegeven zolang de medische toestand niet verbetert, bezien in samenhang met de brief van de huisarts van de vreemdeling van 3 januari 2011, waarin, samengevat weergegeven, de medische problematiek van de vreemdeling wordt geschetst en wordt aangegeven dat de prognose zonder meer slecht is en de conditie van de vreemdeling in de komende tijd verder zal verslechteren. De minister betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de verklaring van de Marokkaanse autoriteiten dateert van geruime tijd geleden en dat hij voornemens was deze verklaring tijdens de presentatie van de vreemdeling met de Marokkaanse consul te bespreken. Derhalve heeft de rechtbank niet op voorhand tot het oordeel kunnen komen dat de Marokkaanse autoriteiten – binnen de in artikel 15, vijfde en zes lid, van de Terugkeerrichtlijn opgenomen termijn van zes, dan wel achttien maanden –niet bereid zullen zijn ten behoeve van de vreemdeling een laissez passer te verstrekken, aldus de minister.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2011 in zaak nr. 201101548/1/V3; www.raadvanstate.nl), verschilt het begrip "zicht op uitzetting" niet van het in artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn gebezigde begrip "redelijk vooruitzicht op verwijdering" en de daaraan in het arrest Kadzoev door het Hof gegeven uitleg.

2.1.4. Bij brief van 4 december 2009 heeft het Marokkaanse Consulaat Generaal te Rotterdam verklaard dat, gelet op het feit dat de vreemdeling vanwege zijn ernstige medische toestand niet is uitgezet en zijn laissez passer is verlopen, geen nieuwe laissez passer zal worden afgegeven zolang zijn medische toestand niet verbetert.

Bij brief van 3 januari 2011 heeft de huisarts van de vreemdeling de medische problematiek van de vreemdeling geschetst, die er – samengevat weergegeven en voor zover thans van belang – uit bestaat dat de hartkleppen van de vreemdeling in 2006 zijn vervangen door kunstkleppen, die inmiddels aan slijtage onderhevig zijn en in de loop van de tijd zullen gaan lekken. In 2009 heeft de vreemdeling voorts twee maal een ernstige hartritmestoornis gehad. Door de vermindering van de conditie van het spierweefsel zal de frequentie en met name ook de ernst van de hartritmestoornissen toenemen en is de kans op dodelijke ventrikel fibrillatie meer dan denkbeeldig, aldus de huisarts. In deze brief is verder aangegeven dat de prognose zonder meer slecht is en dat de conditie van de vreemdeling in de komende tijd verder zal verslechteren.

2.1.5. Hoewel niet in geschil is dat de vreemdeling ernstige medische problemen heeft, betoogt de minister terecht dat op voorhand niet kan worden geoordeeld dat de brieven van 4 december 2009 en 3 januari 2011 de conclusie rechtvaardigen dat geen redelijk vooruitzicht op verwijdering van de vreemdeling naar Marokko bestaat. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de brief van de huisarts van de vreemdeling niet blijkt dat hij de vreemdeling na december 2009 nog heeft gezien. Ook de brief van de Marokkaanse autoriteiten dateert van december 2009, terwijl daarin voorts niet concreet wordt aangegeven ten opzichte van welke situatie en in welke mate een verbetering wordt beoogd. Onder die omstandigheden had de minister de gelegenheid dienen te worden geboden de terugkeer van de vreemdeling naar Marokko, meer specifiek de brief 4 december 2009, met de Marokkaanse consul te bespreken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

In zoverre slaagt de grief.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit tot inbewaringstelling van 25 december 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.3. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar zijn medische problematiek aangevoerd dat de minister met toepassing van een lichter middel dan bewaring had dienen te volstaan.

2.3.1. Aan de bewaring is – onbestreden – onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, ongewenst is verklaard, zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, zich niet heeft aangemeld bij de korpschef, zich bedient van een of meerdere aliassen en eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Voorts heeft de vreemdeling verklaard reeds 22 jaren illegaal in Nederland te verblijven.

Gelet hierop bestaat voldoende grond om aan te nemen dat de vreemdeling de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn. Nu voorts is gesteld, noch gebleken dat de vreemdeling als gevolg van zijn medische problematiek detentieongeschikt is, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Het inleidende beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 7 januari 2011 in zaak nr. 10/44354;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Wijker-Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2011

562.

Verzonden: 4 juli 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser