Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR1246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
201012568/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de in 2.2.1 weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden. Dit geldt ook, hoewel in mindere mate, indien wordt uitgegaan van het door de minister voor de regio Lagos aangenomen percentage. Daarnaast volgt uit het ambtsbericht dat het percentage vrouwen dat wordt besneden, afneemt. Gelet hierop en nu de minister voorts terecht aanvoert dat, zoals hij ook in het in het besluit ingelaste voornemen van 27 april 2010 heeft uiteengezet, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar dochter niet aan besnijdenis zal kunnen onttrekken, bijvoorbeeld door elders een nieuw bestaan op te bouwen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid of ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat vrouwenbesnijdenis een traditie is in de familie van de vreemdeling en haar echtgenoot, maakt nog niet dat zij haar dochter hieraan niet kan onttrekken. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012568/1/V1.

Datum uitspraak: 1 juli 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 november 2010 in zaak nr. 10/24984 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 (hierna: het besluit) heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorganger.

2.2. In zijn enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Nigeria van december 2009 (hierna: het ambtsbericht) naar voren komt dat de politie in het algemeen niet in staat is bescherming te bieden tegen vrouwenbesnijdenis, de minister ter zitting niet duidelijk heeft kunnen maken tot welke hogere autoriteiten de vreemdeling zich zou kunnen wenden als haar dochter ter besnijdenis wordt meegenomen en in het ambtsbericht is vermeld dat in Nigeria nog nooit iemand is veroordeeld wegens vrouwenbesnijdenis, de minister zijn standpunt dat de vreemdeling in geval van dreigende besnijdenis van haar dochter de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten kan inroepen, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hiertoe voert de minister aan dat de rechtbank zich aldus ten onrechte niet heeft uitgelaten over zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar dochter niet aan besnijdenis kan onttrekken, bijvoorbeeld door elders een nieuw bestaan op te bouwen. De minister betoogt voorts in dit verband dat in het ambtsbericht is vermeld dat een substantiële meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet is besneden en dat het aantal vrouwen dat genitale verminking ondergaat de laatste jaren afneemt.

2.2.1. In het ambtsbericht is, zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Er zijn geen recente cijfers over het voorkomen van genitale verminking (ook wel Female Genital Mutilation, FGM). Volgens de Nigeria Demographic and Health Survey (DHS) uit 2003 was toen ongeveer 19% van de Nigeriaanse vrouwen slachtoffer van genitale verminking. Hoewel het in het hele land voorkomt, is het percentage vrouwen dat besneden wordt hoger onder de Igbo en Yoruba in het zuiden van Nigeria (geschat wordt tussen de 25 en 50%). De laatste jaren neemt het aantal vrouwen dat FGM ondergaat af.

[…]

Hoewel de federale regering zich publiekelijk tegen FGM uitspreekt, zijn er geen federale wetten die genitale verminking expliciet verbieden. Organisaties die zich sterk maken voor een verbod op FGM, richten zich vooral op de deelstaten. De deelstaten Abia, Delta, Bayelsa, Edo, Ogun, Cross River, Osun en Rivers hebben FGM expliciet strafbaar gesteld. In de praktijk vindt er echter zelden rechtsvervolging plaats. Voor zover bekend is er nog nooit iemand in Nigeria veroordeeld wegens het plegen van FGM, ook niet in de deelstaten waar dat expliciet verboden is. Veel politieagenten zijn niet op de hoogte van het verbod. Sommige agenten zien FGM, net als grote delen van de burgerbevolking, als een rite die alle deugdzame vrouwen moeten ondergaan. Over het algemeen is de politie dan ook niet in staat om bescherming te bieden aan vrouwen die bedreigd worden door genitale verminking.

Of vrouwen zich kunnen onttrekken aan genitale verminking door zich elders (buiten de eigen leefgemeenschap) te vestigen zal per geval verschillen en is mede afhankelijk van de vraag in hoeverre men elders een nieuw bestaan kan opbouwen. Het is over het algemeen moeilijk voor vrouwen een bestaan op te bouwen zonder sociaal netwerk. Daarbij komt dat ook in de grote steden de wijken vaak een dorps- en gemeenschapsstructuur kennen, zodat het niet mogelijk is om zich in een andere gemeenschap in dezelfde stad te verbergen zonder dat de gemeenschap waaruit men vertrokken is het te weten komt."

2.2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling afkomstig is uit de regio Lagos. De minister heeft in het besluit, naar aanleiding van het betoog van de vreemdeling in de zienswijze van 2 juni 2010, aangenomen dat in deze regio het percentage vrouwen dat is besneden op 36,5 ligt.

2.2.3. Uit de in 2.2.1 weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden. Dit geldt ook, hoewel in mindere mate, indien wordt uitgegaan van het door de minister voor de regio Lagos aangenomen percentage. Daarnaast volgt uit het ambtsbericht dat het percentage vrouwen dat wordt besneden, afneemt. Gelet hierop en nu de minister voorts terecht aanvoert dat, zoals hij ook in het in het besluit ingelaste voornemen van 27 april 2010 heeft uiteengezet, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar dochter niet aan besnijdenis zal kunnen onttrekken, bijvoorbeeld door elders een nieuw bestaan op te bouwen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid of ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat vrouwenbesnijdenis een traditie is in de familie van de vreemdeling en haar echtgenoot, maakt nog niet dat zij haar dochter hieraan niet kan onttrekken. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 november 2010 in zaak nr. 10/24984;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Prins

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011

164-660.

Verzonden: 1 juli 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser