Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
201007200/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010, nummer 08, heeft de raad het bestemmingsplan "Bos en Water 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007200/1/R1.

Datum uitspraak: 6 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Haastrecht, gemeente Vlist,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen in enkelvoud:

[appellant sub 2]), beiden wonend te Haastrecht, gemeente Vlist,

en

de raad van de gemeente Vlist,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010, nummer 08, heeft de raad het bestemmingsplan "Bos en Water 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 augustus 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwfonds Ontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R. van der Zwan, advocaat te 's-Gravenhage, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.J.A. Boere, advocaat te Alphen aan den Rijn, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij gehoord Bouwfonds Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Bouwfonds Ontwikkeling B.V. heeft ter zitting betoogd dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, voor zover na afloop van de termijn voor het instellen van beroep beroepsgronden zijn aangevoerd.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het bestreden besluit. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk I van de Chw, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

De bekendmaking van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden voordat het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet in werking is getreden, zodat geen wettelijke plicht bestond om daarbij te vermelden dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is en dat beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

Het ligt evenwel op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevuld, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij na afloop van de beroepstermijn de beroepsgronden aanvult. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

[appellant sub 2] is bij brief van 27 juli 2010 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden van het beroep aan te vullen, van welke gelegenheid [appellant sub 2] gebruik heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden moeten de gronden die binnen de in de brief van 27 juli 2010 gestelde termijn zijn aangevoerd geacht worden tijdig te zijn aangevoerd, zodat er geen aanleiding bestaat deze buiten beschouwing te laten.

Procedurele bezwaren

2.2. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de door [appellant sub 1] en anderen op 24 maart 2011 ingediende aanvullende stukken dermate kort voor de zitting zijn ingediend dat deze stukken buiten beschouwing dienen te worden gelaten gelet op de goede procesorde.

2.2.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvullende stukken een nadere onderbouwing vormen van de in het beroepschrift van [appellant sub 1] en anderen opgenomen beroepsgronden. Deze stukken zijn op 24 maart 2011, derhalve voor het verstrijken van de tien dagen-termijn in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb ingekomen bij de Afdeling. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit punt onredelijk in zijn procesvoering is bemoeilijkt. Hierbij worden de aard en omvang van de aanvullende stukken in aanmerking genomen, alsmede de omstandigheid dat de raad ter zitting een uitgebreide reactie heeft gegeven op de aanvullende stukken. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien de aanvullende stukken buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid nu het Programma van Eisen voor het bouw- en woonrijp maken van de bouwlocatie en de stedenbouwkundige randvoorwaarden niet ter inzage hebben gelegen en diverse rapporten niet volledig digitaal raadpleegbaar waren. Voorts is de raad volgens hen niet op alle onderdelen van hun zienswijze ingegaan.

2.4. De raad is in de nota van beantwoording bestemmingsplan Bos en Water 2010 uitvoerig ingegaan op hetgeen [appellant sub 1] en anderen in de door hen ingediende zienswijze op dit punt hebben aangevoerd. [appellant sub 1] en anderen hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. [appellant sub 1] en anderen hebben voorts nagelaten aan te geven op welke onderdelen van hun zienswijze de raad geen reactie heeft gegeven. Gelet daarop ziet de Afdeling in de stellingen van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onzorgvuldig is voorbereid.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover toegekend aan percelen nabij haar perceel aan de [locatie] te Haastrecht. Op dat perceel, dat is ingericht als ponyweide met stal, houdt [appellant sub 2] 4 pony's, 1 paard, 5 schapen en enkele konijnen. [appellant sub 2] betoogt dat bij het vaststellen van het plandeel ten onrechte geen rekening is gehouden met haar stal en mestplaat. Zij acht de afstand van vijftien meter tussen de stal en de voorziene woningen te gering ter voorkoming van geurhinder. Dat sprake is van het hobbymatig houden van dieren impliceert haars inziens niet dat de regelgeving ten aanzien van het voorkomen van geurhinder irrelevant is. [appellant sub 2] acht het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Besluit landbouw) en de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) van toepassing en een afstand van minimaal 25 meter, maar bij voorkeur 50 meter, passend.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 2] genoemde regelgeving ter voorkoming van geurhinder in het voorliggende geval niet van toepassing is, nu geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Gelet op het aantal dieren en de beperkte omvang van het perceel en de stal is volgens de raad sprake van het hobbymatig houden van dieren en is een afstand van 15 meter tussen de buitengevel van de veestal en de voorziene woningen voldoende ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen.

2.5.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een inrichting als volgt gedefinieerd: elke door een mens bedrijfsmatig of in een omvang als of zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

2.5.3. Het perceel van [appellant sub 2] heeft een oppervlakte van ongeveer 1.000 m². De kortste afstand tussen de stal en de dichtstbijzijnde woning [locatie] bedraagt in de huidige situatie vanaf de verbeelding gemeten ongeveer 20 meter. De kortste afstand tussen de mestplaat en de dichtstbijzijnde woning Madelief 1 bedraagt in de huidige situatie vanaf de verbeelding gemeten ongeveer 40 meter. Het plan voorziet in woningen op een afstand van ongeveer 15 meter van de stal en de mestplaat.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat het houden van dieren door [appellant sub 2] een hobbymatig karakter heeft gelet op de aard en de omvang daarvan. De Wgv en het Besluit landbouw zijn derhalve niet van toepassing. Dit laat onverlet dat dient te worden beoordeeld of het plan in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op het beperkte aantal dieren dat op het perceel gehouden wordt en kan worden, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een afstand van minimaal 15 meter tussen de stal en de mestplaat en de voorziene woningen in dit geval voldoende moet worden geacht ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen.

2.6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige

2.7. [appellant sub 1] en anderen vrezen verzakking van hun woningen als gevolg van de voorziene woningbouw, aangezien het plangebied bestaat uit veengrond. In dit verband voeren zij nog aan dat de gronden bouw- en woonrijp zullen worden gemaakt met behulp van een nieuwe, nog nooit gebruikte methode.

2.7.1. De raad stelt dat uit het Verkennend bodemonderzoek van 5 oktober 2006 dat door BMA Milieu is uitgevoerd is gebleken dat het plangebied geschikt is voor woningbouw. De gronden van het plangebied bestaan volgens informatie van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO uit onder meer een deklaag met een dikte van ongeveer tien meter, bestaande uit afwisselend veen en klei. Onder de deklaag wordt het eerste watervoerend pakket aangetroffen met een dikte van ongeveer 25 meter. Het eerste watervoerend pakket bestaat voornamelijk uit matig fijn tot grof zand. De raad stelt dat de geschiktheid van de bodem tevens blijkt uit het feit dat de wijk Bergvliet eerste en tweede fase inmiddels zijn gebouwd en ook de gronden uit Dorp A inmiddels zijn bebouwd. Deze gronden zijn van een zelfde samenstelling. De gronden zullen bouw- en woonrijp worden gemaakt door middel van de BeauDrainmethode. Deze methode is volgens de raad reeds meerdere malen gebruikt op veengronden en is juist geschikt voor het plangebied, omdat de totale grondspanning gelijk blijft zodat geen instabiliteit kan ontstaan. Daarnaast heeft deze methode als voordeel dat het aantal verkeersbewegingen van zwaar verkeer ten opzichte van traditioneel voorbelasten beduidend lager is. Om eventuele schade aan woningen en andere gebouwen te zijner tijd te kunnen bepalen, zal voorafgaand aan de werkzaamheden en na oplevering van de woningen een schouw worden verricht.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat met het bouw- en woonrijp maken van het plangebied onherstelbare schade aan bestaande woningen zal optreden.

[appellant sub 1] en anderen hebben het standpunt van de raad zoals vermeld onder 2.7.1. niet weersproken. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden binnen het plangebied niet fysiek geschikt zijn voor woningbouw. Voorts overweegt de Afdeling dat niet als ruimtelijk relevant kan worden aangemerkt welke methode wordt gekozen voor het bouw- en woonrijp maken van de gronden en dat het bezwaar van [appellant sub 1] en anderen dat de BeauDrainmethode niet kan worden uitgevoerd zonder aanzienlijke schade aan de bestaande woningen geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kunnen komen.

2.8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat onvoldoende water wordt gecompenseerd voor de beoogde verhardingen die gepaard gaan met de realisatie van het plan. Zij stellen dat de berekeningen in de waterstudie onjuist zijn, nu geen rekening is gehouden met volledige verharding van de tuinen binnen het plangebied en met verhardingen ten behoeve van parkeerplaatsen. Een motivering waarom is afgeweken van de eis van het hoogheemraadschap dat compensatie van water binnen hetzelfde plangebied, dan wel peilgebied dient te geschieden, ontbreekt. Voorts zullen de voorziene woningen worden aangesloten op het bestaande bezinkingsbassin, terwijl dit bassin in de huidige situatie hevige regenval al niet kan verwerken, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.8.1. De raad volgt [appellant sub 1] en anderen niet in hun stelling dat de benodigde waterberging niet in het plangebied wordt gerealiseerd. Hiertoe betoogt de raad dat het plangebied bestaat uit twee deelgebieden die beide in één peilgebied liggen. De compensatie van deelgebied één mag in deelgebied twee plaatsvinden. Dat deze deelgebieden niet aan elkaar grenzen doet daaraan niet af, aldus de raad. De raad heeft geen reden om te veronderstellen dat het bezinkingsbassin onvoldoende capaciteit zal hebben, nu bij de aanleg van het bezinkingsbassin reeds rekening is gehouden met de bouw van de woningen binnen het plangebied. Bovendien krijgen de woningen een gescheiden rioolstelsel, waardoor alleen het vuile water op de riolering wordt aangesloten en het schone water op het oppervlaktewater. Hierdoor is de toename van de afvoer van het huishoudelijk afvalwater naar de gemeentelijke riolering beperkt. De raad wijst er verder op dat de toename van verharding als gevolg van het plan is vastgesteld aan de hand van vaste normen waarbij rekening is gehouden met eventuele uitbreiding van verharde oppervlakken door realisatie van bijvoorbeeld schuurtjes, uitbouwen en terrassen en dergelijke en dat het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg heeft ingestemd met het plan.

2.8.2. In het rapport "Waterstudie projectplan "Bos en Water" te Haastrecht" (hierna: de waterstudie) van het bureau Aqua-Terra Nova B.V. van 23 januari 2009 staat dat voor zowel de demping van open water als de functiewijziging van groen naar stedelijk gebied open water dient te worden gerealiseerd. In overleg met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is overeengekomen dat 10% van de toegenomen verharding als extra oppervlaktewater zal worden gerealiseerd. Dit komt neer op een wateroppervlak van 1.256 m². Ten gevolge van het plan wordt daarnaast een wateroppervlak van 2.821 m² gedempt. Deze watergangen moeten voor 100% gecompenseerd worden. In totaal dient derhalve 4.077 m² aan oppervlaktewater te worden gerealiseerd.

Uit de waterstudie volgt verder dat de benodigde hoeveelheid oppervlaktewater zal worden gerealiseerd op twee locaties binnen het plangebied. De eerste locatie betreft de westzijde van het plangebied, aan de boskant. Hier zal 1.983 m² wateroppervlak gecreëerd worden. Voorts zal een vijver met een wateroppervlak van 2.114 m² worden aangelegd. Deze vijver zal door middel van een duiker in verbinding staan met de polderwatergangen. Middels deze twee maatregelen wordt 4.097 m² aan wateroppervlak gerealiseerd. Hiermee wordt volgens de waterstudie voldaan aan de gestelde waterbergingseis van 4.077 m².

2.8.3. Blijkens de verbeelding is aan de gronden grenzend aan de Bredeweg en aan de gronden ten oosten van het bos Bisdom van Vliet de bestemming "Water-Natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1., onder b, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Water-Natuur" bestemd voor onder meer waterberging met een minimale oppervlakte van 1.983 m² in het gedeelte van het bos Bisdom van Vliet en 2.114 m² in het landschapselement grenzend aan de Bredeweg.

2.8.4. De Afdeling acht het niet onredelijk dat is uitgegaan van vaste normen voor het bepalen van de toename van verharding als gevolg van het plan. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende watercompensatie. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de benodigde watercompensatie niet wordt gerealiseerd in het plangebied. Dat de watercompensatie plaatsvindt in twee aparte deelgebieden maakt dit niet anders, nu deze deelgebieden met elkaar zullen worden verbonden middels duikers. [appellant sub 1] en anderen hebben verder naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande bezinkingsbassin waarop de voorziene 80 woningen worden aangesloten onvoldoende capaciteit heeft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat reeds bij de aanleg van het bezinkingsbassin rekening is gehouden met de bouw van woningen in het plangebied en dat het hoogheemraadschap heeft vastgesteld dat het systeem naar behoren werkt. Niet is aannemelijk gemaakt dat de toevoeging van de voorziene 80 woningen daar verandering in zal brengen.

2.9. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat de Bergvlietlaan niet geschikt is als erftoegangsweg, omdat de weg smal is, door de inhammen in de weg tweerichtingsverkeer onmogelijk is en de weg zowel door fietsers als automobilisten wordt gebruikt. Door de toename van het verkeer ten gevolge van het plan zal de verkeersveiligheid in de wijk Bergvliet volgens hen verslechteren.

2.9.1. De raad stelt dat de Bergvlietlaan ten tijde van de realisatie van de wijk Bergvliet eerste en tweede fase reeds als erftoegangsweg is aangelegd. Met de toekomstige ontwikkeling van het plangebied Bos en Water, voorheen "Bergvliet vierde fase", is toentertijd al rekening gehouden. Uit het door Oranjewoud op 16 juli 2007 opgestelde rapport "Verkeerscirculatieplan Stolwijk en Haastrecht" (hierna: het verkeersrapport) volgt dat de Bergvlietlaan het meest geschikt is voor de ontsluiting van het plangebied, omdat de weg centraal ligt ten opzichte van het plangebied en het gebruik in overeenstemming is met zijn inrichting en categorisering als erftoegangsweg. De verkeersintensiteit op de Bergvlietlaan bedraagt in de huidige situatie gemiddeld 3.500 motorvoertuigen per etmaal. Met de bouw van de woningen binnen het plangebied wordt een extra toename van ongeveer 395 verkeersbewegingen per etmaal verwacht, waardoor de totale verkeersintensiteit inclusief de verkeerstoename ten gevolge van het plan ruim onder de capaciteit van 5.000-6.000 motorvoertuigen per etmaal van deze weg blijft. Tevens stelt de raad dat de Bergvlietlaan geen smalle weg is en wat betreft maatvoering voldoet aan de eisen die aan een erftoegangsweg worden gesteld. Het is juist dat zowel automobilisten als fietsers gebruik maken van de weg, maar dit leidt niet tot verkeersonveilige situaties, nu de weg daarop is ingericht, aldus de raad. De inhammen zijn juist gerealiseerd om te voorkomen dat te hard wordt gereden. Tweerichtingsverkeer blijft mogelijk, zij het dat ter plaatse van de inhammen moet worden gewacht tot het tegemoetkomend verkeer is gepasseerd.

2.9.2. [appellant sub 1] en anderen hebben het verkeersrapport niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de juistheid van het rapport heeft mogen uitgaan. Gelet op het rapport heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Bergvlietlaan geschikt is als ontsluitingsweg van het plangebied en dat het plan niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie op deze laan.

2.10. Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat het plan leidt tot parkeeroverlast, nu het voorziet in te weinig parkeerplaatsen, te meer daar reeds een tekort aan parkeerplaatsen bestaat in de wijk Bergvliet. [appellant sub 1] en anderen stellen dat ten onrechte een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per middeldure woning is aangehouden, nu de CROW-norm 1,8 parkeerplaatsen per middeldure woning bedraagt. Ze stellen dat de raad niet had mogen uitgaan van de minimumparkeernormen. Een combinatie van voornoemde factoren zal leiden tot verdere parkeeroverlast in de wijk Bergvliet, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.10.1. De raad stelt dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de CROW-parkeerkencijfers in de publicatie 182 van september 2008 "CROW, Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering" (hierna: de CROW-normen). Volgens deze cijfers moet het plan voorzien in een parkeerbehoefte van 133,6 parkeerplaatsen. De raad stelt dat het plan voorziet in 134 parkeerplaatsen, waarvan 90 in openbaar gebied en, met een daarop gerichte aanduiding, 44 op eigen terrein. Daarnaast voorziet het plan in 36 garages, welke ook voor het parkeren van auto's zouden kunnen worden gebruikt. Ter zitting heeft de raad erkend dat de norm van 1,7 parkeerplaatsen per middeldure woning niet correct is. Tevens heeft de raad ter zitting toegelicht dat indien de norm van 1,8 parkeerplaatsen per middeldure woning wordt gehanteerd, het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen 134 blijft.

2.10.2. Uit hetgeen de raad heeft betoogd, volgt dat ook wanneer de norm van 1,8 parkeerplaatsen per woning wordt gehanteerd, dit niet leidt tot een andere uitkomst en dat een totaal aantal parkeerplaatsen van 134 benodigd is. Nu het plan voorziet in 134 parkeerplaatsen en daarnaast 36 garages mogelijk maakt, hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan voorziet in te weinig parkeerplaatsen. Zij hebben voorts geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de minimale CROW-normen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, nu het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen om te voldoen aan de parkeerbehoefte als gevolg van het plan, geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat het plan leidt tot een verslechtering van de parkeersituatie in de wijk Bergvliet. Het betoog faalt.

2.11. Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de gevolgen voor het bos als onderdeel van de Provinciale ecologische hoofdstructuur (hierna: PEHS) niet in de besluitvorming door de raad zijn betrokken.

2.11.1. Uit de kaart van het Streekplan Zuid-Holland Oost (hierna: het streekplan) dat op 12 november 2003 door provinciale staten is vastgesteld, volgt dat de oostelijke strook van het bos Bisdom van Vliet, waaraan in het plan de bestemming "Water-Natuur" is toegekend, is aangeduid als "natuurgebied" en daarmee ligt binnen de zogeheten groene contour. Op kaart 4 van het streekplan, waarop de PEHS staat aangegeven, is deze strook aangeduid als "bestaand natuurgebied". Uit het streekplan volgt dat nieuwe plannen, handelingen of projecten binnen en in de nabijheid van onder meer natuurgebieden die significante gevolgen kunnen hebben voor de natuur niet zijn toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.

2.11.2. Uit de plantoelichting volgt dat door Van den Bijtel Ecologisch onderzoek in mei 2008 het rapport "Nee, tenzij-toets watercompensatie in bos Bisdom van Vliet Bestemmingsplan Bos en Water" (hierna: het rapport Van den Bijtel) is opgesteld waarin een "nee, tenzij-toets" is verricht met betrekking tot de watercompensatie in het bos Bisdom van Vliet. Uit het rapport Van den Bijtel volgt dat de ontwikkeling van de strook aan de oostzijde van het bos Bisdom van Vliet naar verwachting niet zal leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.

2.11.3. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport Van den Bijtel zodanige gebreken bevat dat de raad zijn besluit hierop niet heeft mogen baseren. Gelet hierop hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het bos als onderdeel van de PEHS niet significant beperkt.

2.12. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat het plan in strijd is met artikel 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), omdat het kappen van bomen in het bos nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen van dieren zal beschadigen en verstoren en geen ontheffing voor de kap verleend zal kunnen worden. Tevens stellen [appellant sub 1] en anderen dat de rapporten over de aanwezige flora en fauna verouderd zijn en trekken zij de conclusies zodoende in twijfel.

2.12.1. Onderzoek is gedaan naar de aanwezige natuurwaarden in het plangebied waarvan de resultaten zijn neergelegd in het door Aqua-Terra Nova B.V. op 29 augustus 2005 opgestelde rapport "Eco-effect scan Projectlocatie "Bergvliet 4e fase" te Haastrecht" en het op 9 december 2005 opgestelde rapport "Ecologie Projectlocatie "Bergvliet 4e fase? te Haastrecht", alsmede in de door de Zoogdiervereniging VZZ in juni 2006 opgestelde rapportage "Vleermuizen in het projectgebied "Bos en Water" te Haastrecht". Als gevolg van de ruime voorbereidingstijd van het bestemmingsplan dreigden de rapporten verouderd te raken. Om die reden zijn de rapporten opnieuw door de onderzoeksinstanties beoordeeld en in een briefrapportage van Aqua-Terra Nova B.V. van 11 september 2009 zijn de conclusies uit de rapporten geactualiseerd.

In beide eerstgenoemde rapporten is geconcludeerd dat geen ontheffing noodzakelijk zal zijn voor aanwezige broedvogelsoorten indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden en dat de werkzaamheden mogelijk zullen leiden tot verstoring van de gewone pad, bruine kikker, middelste groene kikker en de kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling indien overeenkomstig een door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister) goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt, zodat ten aanzien van deze soorten geen ontheffing noodzakelijk is, aldus de rapporten.

Op grond van voornoemde onderzoeken is bij de minister een ontheffing op grond van de Ffw aangevraagd voor de aanwezige vleermuissoorten, de kleine modderkruiper en de bittervoorn. Bij besluit van 21 december 2006 heeft de minister deze ontheffing verleend voor de gewone grootoorvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de bittervoorn en de kleine modderkruiper. Bij besluit van 18 november 2009 heeft de minister de ontheffing verlengd tot en met 31 december 2014.

Desgevraagd heeft de raad ter zitting aangegeven dat de ontheffing op grond van de Ffw inmiddels onherroepelijk is geworden.

2.12.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was reeds een ontheffing verleend, terwijl [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat naast deze ontheffing nog andere ontheffingen op grond van deze wet nodig zijn. Onder die omstandigheden bestaat er, slechts indien aan de ontheffing zodanige gebreken kleven dat de raad wist of behoorde te weten dat deze ontheffing niet in stand zal kunnen blijven, aanleiding voor het oordeel dat de raad ondanks de verlening van de ontheffing had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Een dergelijke omstandigheid doet zich hier niet voor. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de voornoemde onderzoeken zijn verouderd maakt dit reeds hierom niet anders, omdat in de briefrapportage van Aqua-Terra Nova B.V. van 11 september 2009 de conclusies uit de onderzoeken zijn geactualiseerd en de uitkomsten niet zijn veranderd.

2.13. [appellant sub 1] en anderen voeren voorts aan dat aan het plan geen ruimtelijke afweging ten grondslag ligt omdat de voorgestane inrichting van het plangebied zo nauwkeurig en gedetailleerd is omschreven in de exploitatieovereenkomst van 17 februari 2006 dat hier niet meer van kan worden afgeweken.

2.13.1. De raad stelt dat de door provinciale staten van Zuid-Holland op 25 januari 2005 vastgestelde Woonvisie Zuid-Holland 2005-2014, de door het algemeen bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland op 20 februari 2002 vastgestelde integrale regiovisie Midden-Holland "Van gelaagde naar geslaagde kwaliteit" en de door de raad op 28 juni 2005 vastgestelde gemeentelijke structuurvisie "Vitaal Vlist", uitgangspunt zijn geweest voor het bepalen van het aantal en type woningen waarin het plan voorziet en dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met alle relevante belangen. Uit de woonvisie volgt dat te weinig woningen worden gebouwd binnen de provincie. De gemeenten in het Groene Hart hebben de taakstelling gekregen bij te dragen aan de oplossing van de problematiek op de provinciale woningmarkt. De ontwikkelingen binnen het plangebied passen volgens de raad binnen dit beleid. Ook in de integrale regiovisie staat dat woningen gebouwd dienen te worden om het inwonertal van onder meer Vlist constant te houden.

2.13.2. De Afdeling overweegt dat het aantal en type woningen in het plangebied is gebaseerd op de in overweging 2.13.1 genoemde beleidsstukken, zodat de omstandigheid dat in de exploitatieovereenkomst het aantal en type woningen zijn beschreven niet betekent dat aan het plan geen ruimtelijke afweging ten grondslag heeft gelegen.

2.14. [appellant sub 1] en anderen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover dat voorziet in het tegenover de woningen aan de Madelief 24 t/m 42 gesitueerde appartementencomplex, leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking. Zij voeren hiertoe aan dat in de bezonningsstudie niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plandeel, maar van het bouwplan.

2.14.1. De raad stelt dat uit de door Maat architecten BNA uitgevoerde bezonningsstudie "Bos en Water" van 5 februari 2010 volgt dat op 21 juni om 10:00 uur, 13:00 uur en 16:00 uur en op 21 september om 10:00 uur en 13:00 uur geen schaduwwerking te verwachten is als gevolg van de nieuw te bouwen woningen ten aanzien van de woningen en tuinen aan de Madelief. Op 21 september is om 16:00 uur volgens de bezonningsstudie enige schaduwwerking te verwachten in enkele woningen en tuinen aan de Madelief, in één woning en tuin aan de Beemdgras, in één woning en tuin aan de Raaigras en in één woning en tuin aan de Bergvlietlaan. Op 21 juni is om 18:00 uur in enkele tuinen een beperkte schaduwwerking.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bezonningsstudie is uitgevoerd aan de hand van het bouwplan dat uitgaat van een appartementencomplex met een bouwhoogte van 10 meter. Gelet op dat bouwplan zal de maximale bouwhoogte van 15 meter die het plandeel mogelijk maakt niet worden benut, aldus de raad.

2.14.2. Voor de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van het plandeel zijn de maximale mogelijkheden van dat plandeel bepalend. Omdat de raad in de bezonningsstudie is uitgegaan van een specifieke invulling van het plandeel met een appartementencomplex van 10 meter hoog, heeft hij in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid nagelaten om de gevolgen van de maximale mogelijkheden van het plandeel te onderzoeken. Het betoog van de raad ter zitting dat de maximale bouwhoogte van 15 meter die het plandeel mogelijk maakt niet zal worden benut, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing en de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan op een later tijdstip alsnog kunnen worden benut. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Wonen" is vastgesteld, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1.

2.15. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat in het plan niet dezelfde stedenbouwkundige uitgangspunten worden gehanteerd als in de wijk Bergvliet, nu de bouwrichting in het plan noord-zuid is, terwijl de wijk Bergvliet volgens hen in oost-westrichting is gebouwd, en de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte in het plan hoger is dan de bestaande woningen in de wijk Bergvliet. Voorts hadden de doorkijken naar het bos vanuit de wijk Bergvliet moeten worden behouden.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het stedenbouwkundig plan is gebaseerd op provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, waarbij zorgvuldig is afgewogen wat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gewenst is. Daarbij is rekening gehouden met de reeds aanwezige bebouwing in Bergvliet en is een passende overgang naar het bos gecreëerd. De doorkijk naar het Bisdom Van Vlietpark blijft behouden. Ook is aansluiting gezocht bij de verkaveling in noord-zuidrichting in de wijk Bergvliet, de doorzichten naar het bos en bij de bouwhoogtes. De in het plan toegestane maximale bouwhoogtes van 11, respectievelijk 12 meter sluiten aan op de maximale bouwhoogte in de wijk Bergvliet van 11,3 meter. Op 1 locatie in het plangebied is gestapelde bouw voorzien waarvoor een maximale bouwhoogte geldt van 15 meter. De raad acht deze ontwikkeling passend in de omgeving, mede nu de gestapelde bouw grotendeels zal worden omgeven door water en een groenstrook.

2.15.2. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, blijkt uit de verbeelding dat vanuit de Waterlelie, de Bergvlietlaan en de Beemdgras zichtlijnen richting het bos Bisdom van Vliet behouden blijven. Uit de verbeelding blijkt eveneens dat de bouwrichting van de voorziene woningen in het plangebied noord-zuid is en dat de bouwrichting in de bestaande wijk tevens overwegend deze richting heeft. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan gekozen bouwrichting niet zou aansluiten bij die in de bestaande wijk Bergvliet. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan maximaal toegestane bouwhoogtes van 11, respectievelijk 12 meter aansluiten bij de maximale bouwhoogte in de wijk Bergvliet. Gelet op de vernietiging van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat een bouwhoogte van 15 meter mogelijk maakt, zoals bedoeld in 2.14.2., kan dat plandeel in dit verband buiten beschouwing worden gelaten. Het betoog faalt.

2.16. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, met uitzondering van hetgeen zij met betrekking tot het in 2.14.2. bedoelde plandeel hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, met uitzondering ten aanzien van het onder 2.14.2. genoemde plandeel, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is voor het overige ongegrond.

Artikel 1.9 van de Chw

2.17. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 1.9 van de Chw van toepassing is.

Proceskostenveroordeling

2.18. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vlist van 25 mei 2010, nummer 08, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Wonen" is vastgesteld, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] geheel en het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Vlist tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Vlist aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011

472-673.