Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BR0558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
200907795/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harenkarspel het wijzigingsplan "Ringvaartweg 18 te Waarland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/5036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907795/1/R1.

Datum uitspraak: 6 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub A] en [appellante sub B], wonend te Waarland, gemeente Harenkarspel (hierna in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harenkarspel het wijzigingsplan "Ringvaartweg 18 te Waarland" vastgesteld.

Bij brief van 6 augustus 2009, kenmerk 2009-46148, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan het college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat het wijzigingsplan moet worden geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.

Tegen het goedkeuringsbesluit van rechtswege heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2009.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders het besluit van 4 juni 2009 ingetrokken en opnieuw het wijzigingsplan "Ringvaartweg 18 te Waarland" vastgesteld.

Bij brief van 22 juli 2010, kenmerk 2010-44471, heeft het college van gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat het wijzigingsplan moet worden geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. G. Creutzberg, advocaat te Alkmaar, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. J.J. Verwindt en A.F.P. van Mierlo, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.C. Been, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door T. Mosch, geluidsspecialist, en [belanghebbende], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan dat overgaat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit, daarvan onverwijld mededeling doet aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.1.1. De Afdeling merkt het goedkeuringsbesluit van rechtswege van 22 juli 2010 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu het onderliggende besluit van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 2010 betrekking heeft op hetzelfde perceel als het besluit van 4 juni 2009. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dient het beroep van [appellant] te worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

2.1.2. [appellant] heeft geen belang meer bij beoordeling van zijn beroep tegen het goedkeuringsbesluit van rechtswege van 6 augustus 2009, nu het onderliggende besluit van 4 juni 2009 door het college van burgemeester en wethouders is ingetrokken. Het beroep van [appellant] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in het toekennen van de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "landelijk bedrijf" aan het perceel Ringvaartweg 18 te Waarland ten behoeve van het op het perceel gevestigde bedrijf van Isherwood.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder dd, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" wordt onder landelijk bedrijf verstaan een bedrijf dat naar de aard van zijn activiteiten gebonden is aan het agrarische buitengebied of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied; hierbij kan sprake zijn van de volgende (combinatie van) activiteiten:

- het leveren van diensten aan agrarische bedrijven, zoals agrarische loonbedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven en veehandelsbedrijven;

- bewerking, verwerking, distributie en opslag van agrarische producten.

Ingevolge artikel 6, lid 1, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor niet-agrarische bedrijven aangewezen gronden bestemd voor landelijke bedrijven met dien verstande dat voor zover bestemmingsvlakken zijn aangeduid met "landelijk bedrijf", de gronden uitsluitend zijn bestemd voor landelijke bedrijven.

2.3. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan niet voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" en in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. [appellant] voert hiertoe aan dat de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" niet objectief is begrensd, nu deze bevoegdheid betrekking heeft op het gehele plangebied. Voorts voert [appellant] aan dat het bedrijf van Isherwood geen landelijk bedrijf is en de wijzigingsbevoegdheid derhalve niet kan worden toegepast. Volgens [appellant] bedraagt de afstand tussen de perceelsgrens van het perceel waarop het bedrijf is gevestigd en de woning van [appellant] slechts 7 meter, hetgeen niet in overeenstemming is met de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) opgenomen aanbevolen afstanden. [appellant] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders niet heeft onderkend dat het bedrijf van Isherwood om die reden niet ruimtelijk inpasbaar is. Ten slotte betoogt [appellant] dat het in opdracht van het college van burgemeester en wethouders uitgevoerde geluidsonderzoek niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu hierin alleen is getoetst aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen en dat ten onrechte de milieuaspecten voor geur, stof en gevaar niet zijn onderzocht.

2.3.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" opgenomen wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief is begrensd. Voorts voert Isherwood volgens het college van gedeputeerde staten een landelijk bedrijf, nu dit is gericht op het herstel van landbouwvoertuigen. Het college van gedeputeerde staten stelt zich voorts op het standpunt dat van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellant] geen sprake is en de afwijking van de in de VNG-brochure genoemde afstanden is gerechtvaardigd.

2.3.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, het college van burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moet uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan mede een uitwerkingsplicht inhouden.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" dient de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid beperkt te zijn tot die gevallen waarbij de kenmerken van het gebied niet wezenlijk worden aangetast en waarbij een zorgvuldige inpassing in de, in het plan door middel van bestemmingen en bestemmingsregelingen vastgelegde landschappelijke, respectievelijk ruimtelijke en functionele structuur, is gewaarborgd. De wijziging wordt derhalve niet verleend indien een onevenredige aantasting plaatsvindt van het ruimtelijk beeld, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of de verkeersveiligheid.

Ingevolge artikel 4, lid 7, onder e, aanhef en onder 3, kan het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig artikel 11 van de WRO en met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, de bestemming wijzigen in die zin dat de bestemming van agrarische bedrijfsgebouwen met bijhorende erven na bedrijfsbeëindiging kan worden veranderd met het oog op een gebruik, inrichting en bebouwing ten behoeve van landelijke bedrijven.

2.3.3. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

Uit de in 2.3.2 opgenomen voorschriften volgt welke in het plan neergelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. Bovendien volgt hieruit dat uitsluitend in geval van bedrijfsbeëindiging de bestemming van agrarische bedrijven kan worden gewijzigd. Uit de voorschriften volgt bovendien dat met de wijzigingsbevoegdheid de kenmerken van het gebied niet wezenlijk kunnen worden gewijzigd en dat een zorgvuldige inpassing van de nieuwe bestemming dient te zijn gewaarborgd. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd.

2.4. [appellant] betwist niet dat het bedrijf van Isherwood landbouwvoertuigen herstelt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder dd, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" wordt onder landelijk bedrijf eveneens verstaan een bedrijf waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied, waarbij sprake kan zijn van het leveren van diensten aan agrarische bedrijven. Gelet op deze omschrijving dient het bedrijf van Isherwood te worden aangemerkt als landelijk bedrijf in de zin van het bestemmingsplan en bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid niet kon worden toegepast.

2.5. Anders dan [appellant] voorts betoogt, is van strijd met het beleid van de gemeente, zoals opgenomen in de Beleidsnota 'Agrarische Bebouwing', geen sprake. Volgens dit beleid kan vrijgekomen agrarische bebouwing worden gebruikt voor kleinschalige vormen van wonen, werken en recreatie. Het toekennen de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "landelijk bedrijf" aan het perceel Ringvaartweg 18 is hiermee niet in strijd.

2.6. Niet in geschil is dat het bedrijf van Isherwood, dat is gericht op het herstellen van landbouwvoertuigen, metaalbewerkingswerkzaamheden, zoals lassen, slijpen, boren, zagen en bankdraaien, uitvoert. Uit de door de Milieudienst opgestelde rapporten 'Advies geluidonderzoek bij bestemmingsplanwijziging Ringvaart 18 te Waarland' van 19 en 21 februari 2008 en 'Advies bestemmingswijziging Ringvaart 18 te Waarland' van 24 december 2009, alsmede het door Isherwood in beroep overgelegde rapport 'Onderbouwing wijzigingsbesluit' van het adviesbureau RBOI van 9 mei 2011 volgt dat het bedrijf van Isherwood een productieoppervlak heeft van meer dan 200 m². Het bedrijf dient derhalve te worden aangemerkt als metaalbewerkingsbedrijf in de zin van de VNG-Brochure, met SBI-code 251,331 en een indicatieve afstand voor geluid van 100 meter. Ter zitting is vast komen te staan dat de feitelijke afstand tussen de woning van [appellant] en het bedrijf van Isherwood 20 meter bedraagt. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf van Isherwood niet zal zorgen voor onaanvaardbare geluidoverlast, een onaanvaardbaar risico ten aanzien van de externe veiligheid en ten aanzien van geur- en stofhinder niet zal zorgen voor een verslechtering van het milieu, zodat hij in redelijkheid van de indicatieve afstand heeft kunnen afwijken. Het college van burgemeester en wethouders heeft hiertoe verwezen naar het door ASP Akoestisch Adviesburo Stoop en Partners verrichte akoestisch onderzoek, zoals vastgelegd in het rapport 'Akoestisch onderzoek geluiduitstraling' van 10 januari 2008, alsmede voormelde op de resultaten van dit onderzoek gebaseerde rapporten van de Milieudienst van 19 en 21 februari 2008 en 24 december 2009 en het in beroep overgelegde rapport 'Akoestisch onderzoek V1.2 naar de geluiduitstraling van het bedrijf A.G. Waarland' van 9 mei 2011. In deze rapporten staat, samengevat weergegeven, dat aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, dat de geluidsituatie geen milieuhygiënische belemmering vormt voor de bestemmingswijziging, dat met betrekking tot gevaar er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico ten aanzien van de externe veiligheid en dat wat betreft geur- en stofhinder het bedrijf van Isherwood niet zal zorgen voor een dermate verslechtering van het milieu dat extra maatregelen moeten worden getroffen, dan wel niet moet worden meegewerkt aan de bestemmingswijziging.

2.6.1. Door [appellant] wordt niet gemotiveerd betoogd dat voormelde rapporten, voor zover het betreft de milieuaspecten voor geur, stof en gevaar, niet op deugdelijke en zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. [appellant] heeft bovendien de inhoud van de in 2.6 genoemde rapporten op deze punten niet gemotiveerd betwist. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich derhalve in redelijkheid onder verwijzing naar deze rapporten op het standpunt mogen stellen dat het bedrijf van Isherwood niet zal zorgen voor een onaanvaardbaar risico ten aanzien van de externe veiligheid en ten aanzien geur- en stofhinder niet zal zorgen voor een verslechtering van het milieu.

2.6.2. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders toegelicht dat in het akoestisch onderzoek uitsluitend is uitgegaan van de huidige situatie, waarbij de afstand tussen de woning van [appellant] en het bedrijf van Isherwood 20 meter bedraagt. Anders dan [appellant] betoogt, staat in de in 2.6 genoemde rapporten niet slechts dat aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, maar eveneens dat de geluidsituatie geen milieuhygiënische belemmering vormt voor de bestemmingswijziging. Nu [appellant] deze conclusie niet gemotiveerd heeft betwist, heeft het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid, onder verwijzing naar de in 2.6 genoemde rapporten, op het standpunt mogen stellen dat het bedrijf van Isherwood in de huidige situatie niet zal zorgen voor onaanvaardbare geluidsoverlast. Onweersproken is evenwel dat indien wordt uitgegaan van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden de afstand tussen de woning van [appellant] en het bedrijf van Isherwood slechts 7 meter bedraagt. De in 2.6 genoemde rapporten maken onvoldoende inzichtelijk of in deze situatie eveneens geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidoverlast ter plaatse van de woning van [appellant]. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich derhalve ten onrechte op basis van deze rapporten op het standpunt gesteld dat het bedrijf van Isherwood ruimtelijk inpasbaar is en, bij maximale invulling van de planologische mogelijkheden, niet zal zorgen voor onaanvaardbare geluidsoverlast.

2.6.3. De conclusie is dat het wijzigingsplan van 27 april 2010 is vastgesteld in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid. De goedkeuring van rechtswege is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande wordt aanleiding gezien om goedkeuring te onthouden aan het wijzigingsplan.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 6 augustus 2009, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 juli 2010, gegrond;

III. vernietigt het besluit van 22 juli 2010 waarbij het wijzigingsplan "Ringvaartweg 18 te Waarland" van rechtswege is goedgekeurd;

IV. onthoudt goedkeuring aan het wijzigingsplan "Ringvaartweg 18 te Waarland";

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub A] en [appellante sub B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 908,51 (zegge: negenhonderdacht euro en eenenvijftig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant sub A] en [appellante sub B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011

523.